skip to main |
skip to sidebar
Na 1585 kilometer, 39 uur, 11 auto's, 3 veerboten, 1 bus, 1 S-bahn en wat kleine stukjes lopen, ben ik thuis gekomen. Maar dat verhaal laat ik nog even liggen.
In de laatste dagen van mei, het lijkt al weer een eeuwigheid geleden, was ik in Bergen de laatste tijd op uitwisseling aan het beleven. Op 30 mei bijvoorbeeld, liepen ongeveer achtduizend mensen de 7-fjellsturen, een georganiseerde wandeltocht over de 'officiële' zeven heuvels van Bergen. Omdat ik niet zo van in rijtjes lopen houd, liep ik niet mee, maar ik betreurde mijn keuze al snel. En dus maakte ik enkele dagen later de tocht van 35 kilometer, met 2400 meter op en neer, bij wijze van afscheid aan de Bergense natuur.
In die dagen gebruikte ik het grootste deel van de dag om mijzelf neurochemie aan te leren, voor het mondelinge tentamen. Het was tergend om met mooi weer buiten, met vrienden die mooie tripjes maken en een vriendin naast je die je een tijd lang zal moeten missen een boek door te spitten waar niets anders dan kurkdroge, slechts bij vlagen licht interessante informatie in staat. Uiteindelijk was het mondelinge examen volledig gericht op de lullige feitjes, een test in onthouden en niet in begrijpen. Ik kwam er vanaf met een C, ongeveer een 7.
Met die studiepunten had ik mijn bachelor scheikunde binnen. En met die gedachte kon ik de motivatie niet meer opbrengen om nog twee dagen hard te studeren voor het tentamen kwantummechanica, niet in de laatste plaats omdat ik al snel ontdekte dat ik tijdens het semester te weinig had geleerd en ik nooit meer een echt goed cijfer zou kunnen halen. Het vak heb ik dan ook niet gehaald, jammer maar helaas.
Met het laatste tentamen waren ook de laatste drie dagen in Bergen aangebroken. Tenminste, de laatste drie met een eigen kamer, omringd door alle vrienden die ik het afgelopen halfjaar gevonden heb. Bijna elke avond was er wel een groot gezamenlijk avondeten om iemand gedag te zeggen, en de dagen bracht ik door met Julia, omdat we elkaar een hele tijd moesten missen. Raoul kwam aan met de trein, klaar voor een stevig potje wandelen. Ik verdeelde mijn spullen over een doos en mijn backpack en maakte mijn kamer schoon. Toen nog een laatste maaltijd met iedereen, nog een ontbijt de volgende ochtend met iedereen, een mooi afscheid, en Mathijs, Raoul en ik waren op weg naar Stavanger.
We liftten met zijn drieën vanuit Bergen naar de omgeving van de Lysefjord, een van de klassieke Noorse fjorden, bekend van de vakantiegidsen. Zelfs met drie jongens en drie backpacks ging het erg voorspoedig, vooral omdat we vanaf de boot in Halhjem (in Noorwegen worden doorgaande wegen regelmatig onderbroken door veerboten), zo'n 30 km ten zuiden van Bergen, een directe lift kregen naar Stavanger. Hij was een Schot woonachtig in Newfoundland, in Noorwegen voor zijn werk als machtig persoon bij een bedrijf dat, als ik het goed begrepen heb, allerlei meters en ander materiaal levert voor olieplatforms. Hij praatte voluit over zijn hele leven, en was zeker een half uur bezig om uit te leggen wat er nou precies fout is gegaan in de Golf van Mexico. In Stavanger namen we de boot naar Tau, en vervolgens een bus naar The Middle of Nowhere, een vrij willekeurig bosweggetje dat we de buschauffeur op de kaart aanwezen. Daar begon onze tocht door onverkend terrein. Gewapend met kaart en kompas, en op de rug een tent, matje, slaapzak, kookspullen en een boel eten, trokken we een gebied in ten noorden van de Lysefjord.
De dagen erna waren van een onbeschrijflijke schoonheid en rust. Je loopt waar nog nooit iemand gelopen heeft, en hebt de vrijheid om je tentje op te zetten waar je maar wilt. In de praktijk is het nog wel eens moeilijk om een enigszins droog en vlak plekje te vinden, maar uiteindelijk is er altijd wel iets. We kookten op steeds professioneler wordende vuurtjes (als je twee vlakke stenen tegenover elkaar zet, en met eentje de achterkant afdekt, met de opening naar de wind en je pannetje er bovenop, dan kookt het water sneller dan in de gemiddelde waterkoker), sprongen in ijskoude meertjes om iets van lichamelijke reinheid te bewaren en liepen de hele dag door woest maar o zo schitterend landschap.
Maar na drie dagen was het einde van onze etensvoorraad in zicht, en dus liepen en liftten we naar Jørpeland, het dichtsbijzijnde dorp. Daar sloegen we een etensvoorraad van kant-en-klaarmaaltijden, droge koekjes en chocola in, plus een boel eten om ter plekke te eten, ter aanvulling van de opgelopen voedingsstofachterstanden. Na nog twee liften bereikten we Forsand, het dorpje waar de boot vertrekt die de Lysefjord in zijn geheel afvaart. Daar verbaasden een bus vol Duitsers die ons in Jørpeland op het gras hadden zien liggen bunkeren zich erover dat diezelfde drie jongens met backpacks 30 km zuidelijker ook al op het gras lagen te luieren. De boot, waar we om onduidelijke redenen niks voor hoefden te betalen, bracht ons met enkele tussenstops in Lysebotn, het gehucht aan het uiteinde van de fjord. We vroegen wat rond of er een mogelijkheid was om ergens warm te douchen, want zelfs als het minimale leven in de natuur zo mooi is, is een fris en schoon gevoel heel wat waard. Je gaat luxes als een warme douche en een volwaardige wc wat meer op prijs stellen tijdens zo'n tocht. Uiteindelijk vonden we een man die ons naar zijn bed & breakfast bracht, waar we voor 20 kronen wel mochten douchen. Hij was een van de twaalf landeigenaren in Lysebotn, en vertelde graag over zijn jachttripjes in de bergen en het leven in zo'n afgelegen dorp terwijl een van ons zich in de badkamer bezighield. Dezelfde middag nog liepen we het eerste stukje van de geplande tocht langs de Lysefjord, naar Preikestolen. Ditmaal wandelden we over gemarkeerde paden, wat duidelijk een stuk sneller ging dan het wilde lopen van de dagen ervoor. Na twee wandelingen van ruim 20 km en twee nachten bij mooie meertjes bereikten we Preikestolen, een vierkante klif die aan de rotswand hangt met aan drie kanten een 600 meter naar beneden tot het water, en misschien wel de beroemdste natuurattractie van Noorwegen. Er loopt een (te) goed gemarkeerd pad van een parkeerplaats naar boven, en in de zomermaanden staan er overdag steeds minstens veertig mensen bovenop de rots. Vandaar dat we erg graag wilde kamperen daarboven, zodat we in de avond en de ochtend erna de rots en het uitzicht voor onszelf hadden. En wat was het uiteindelijk mooi daarboven, met het vlakke licht, wat wolken en de spiegelingen van de fjord, afijn, zie de foto's, ook al zijn het natuurlijk maar matige weergaven van de werkelijke belevenis.

Na de volgende ochtend wat te hebben rondgebanjerd rond Preikestolen, ons verbazend over de horde mensen die ineens naar boven kwamen lopen, pakten we onze spullen weer in, en liftten we zeven auto's achter elkaar naar Odda, een industriestadje aan een zijtak van de Hardangerfjord. Mathijs wilde hier erg graag wandelen naar Trolltunga, een plak steen die een meter of vijf horizontaal uit de rotswand komt zetten. Eigenlijk vond ik het niet zo'n erg goed idee, voornamelijk omdat we op wat droge koekjes na geen eten meer hadden of konden kopen, geen kaart hadden, en het een hele flinke wandeling zou worden van zo'n 20 kilometer met een kilometer op en neer, met af en toe een veldje sneeuw. Maar de wil was groot, dus sjeesden we er heen, maakten de klassieke foto's, en sjeesden terug, op tijd om een lift naar het dal te krijgen. Vervolgens slaagden we er op wonderlijke wijze in om in de avondzon een directe lift terug naar Bergen te krijgen, via een van de mooiste wegen van Noorwegen (de weg tussen Kvanndal en Øystese, mocht je er ooit in de buurt zijn).
Terug in Bergen was het tijd om de reis terug naar huis voor te bereiden en de stad gedag te zeggen. Raoul kreeg nog even de kans om de stad te zien, ditmaal zonder de mist en de miezer die rondhing voor we de natuur in trokken. Tegen de verwachting in pasten alle spullen die ik bij Christoph had achtergelaten in mijn backpack, die daarmee alleen wel verschrikkelijk zwaar was geworden.
Na drie dagen genieten van de lage hoeveelheid inspanning, hesen we, dat wil zeggen Mathijs, Raoul, Christoph en ik, onszelf in onze vele tassen (en gitaarkoffer) en begonnen met liften naar Kristiansand. Met Raoul bereikte ik na een kleine twaalf uur reizen de haven waar onze boot naar Denemarken de volgende ochtend zou vertrekken. Het liften ging vrij voorspoedig, al werden we door onze eerste lift op de verkeerde plek afgezet waardoor we met al onze spullen een half uur moesten lopen, en hadden we wat moeite om Stavanger uit te komen. Die avond sloegen we de tent op in een stukje bos annex park vlak bij de haven, uit krenterigheid en omdat we om zes uur voor het kaartjesloket moesten verschijnen. Geheel lek gestoken door 'midges' (in het Nederlands kennelijk knutjes genoemd) stonden we op tijd voor die balie, om te ontdekken dat de boot sinds we de prijs op internet opzochten ineens bijna twee keer zo duur was geworden. Het mocht het tempo echter niet drukken, en eenmaal op de boot begonnen we iedereen die niet in slaap was gevallen of een grote familie om zich heen had te vragen of ze misschien zuidwaarts reden en een plekje over hadden voor twee grote jongens met dito rugzakken. Met na bijna twee uur de hopeloosheid in zicht vonden Mathijs en Raoul een lift naar Kolding, halverwege Denemarken, en Christoph en ik een naar Hamburg. Daar ging het liften voor de eerste keer licht de mist in, omdat onze chauffeurs op het laatste moment besloten om een file te ontwijken en dus via kleine weggetjes naar het centrum van Hamburg te rijden. Christoph en ik besloten toen maar dat meerijden beter was dan ergens van de snelweg af uit te stappen. We namen, met dank aan Christophs eerdere liftervaringen, de S-bahn naar de rand van Hamburg, toen nog een bus en een stukje lopen, waarna we weer op een tankstation aan de snelweg stonden. Inmiddels was het al wel na zessen, dus ik begon hem een beetje te knijpen of ik wel voor het donker in Nederland zou komen. De volgende lift ging naar Dortmund, ideaal voor Christoph, en ik zou dan wel eventjes voor Bremen uit kunnen stappen, om alleen verder te liften naar Groningen. Eenmaal in de auto bleek de chauffeur via Hannover te rijden, en was de mogelijkheid Zandeweer die avond per lift te halen voorgoed verkeken. Gelukkig, in zekere opzichten dan, reed hij wel met een gangetje van ergens tussen de 160 en 210 km/u over de Autobahn, waardoor ik al snel in mijn eentje op een tankstation 60 km voor Osnabrück stond. Daar kwam gelukkig al na een minuut of tien een Nederlandse man langs die twee lifters uit de auto zette, en die niet te beroerd was meteen een derde mee te nemen. Hij moest in Montfoort wezen, en bood me aan me op een adresje in Utrecht af te zetten. Ik had misschien de laatste trein naar Groningen kunnen halen, maar met zo'n aabod sliep ik liever eerst een nachtje bij Elias en Malu, en dus stond ik, twee volle dagen liften sinds ik uit Bergen de deur dichttrok, met een half jaar aan bagage in een Utrechtse volkswijk de deurbel van 14bis in te drukken.
Nu ben ik al tweeënhalve dag op de boerderij in Zandeweer aan het landen. Nederland, bijvoorbeeld het boerenlandschap zoals ze dat hier in het noorden van Groningen hebben, voelt nog steeds vertrouwd, en het schuift mijn herinneringen aan Noorwegen vrij snel naar een plekje wat verder achterin mijn hoofd. Op weg naar Utrecht zag ik een diep oranje zon zakken boven de IJssel bij Deventer, een Hollands gezicht dat me direct deed beseffen dat Nederland mij ook dierbaar is. Ik heb het afgelopen halfjaar geen heimwee gehad, maar ik heb me ook nooit echt thuis gevoeld. En daar had ik misschien tegen het einde wel weer behoefte aan. Me begeven in een omgeving waar dingen natuurlijker voelen, waar ik de mensen versta zonder er moeite voor te doen. Niettemin was de keuze om naar Bergen te gaan een van de beste van mijn leven. Nog nooit heb ik zo veel geweldige mensen ontmoet, met zo veel verschillende culturen die de hoek om komen kijken. Als ik iets ga missen van mijn semester in Bergen is het wel de onbegrensde gezelligheid van het leven op Fantoft, met de eindeloze ontbijten, internationale etentjes en jam sessions. En ook de heuvels naast de deur, de mogelijkheid om in twee stappen op een berg te staan, zal ik gaan missen. De natuur van Noorwegen zal de reden zijn om terug te keren. Ik heb zo'n verschrikkelijk klein deel gezien van het land dat ik ongetwijfeld meerdere keren terug zal keren met mijn tentje en mijn rugzak om andere hoekjes te gaan verkennen.
Ten slotte hoort bij Bergen ook Julia. Al sinds eind februari hebben we erg veel tijd met elkaar doorgebracht, de laatste twee maanden onder de gebruikelijke noemers. Ik ben blij, dankbaar, gelukkig, dat ik haar ben tegengekomen en dat ik zij deel is van zo veel mooie herinneringen aan Bergen. Ik kan niet wachten tot ze komende vrijdag in Utrecht arriveert.

Dit was het dan, mijn Life in Bergen.
Het is alweer een hele tijd geleden dat ik schreef, teken dat ik weinig tijd heb gehad om eens rustig achter mijn computer te zitten en teken dat er wel het een en ander te vertellen is. Mijn tijd in Bergen loopt ten einde, over twee weken is Raoul hier aangekomen en trek ik met hem en Mathijs de bergen in voor een week of twee. Hoe dit precies gaat verlopen is nog niet helemaal duidelijk, omdat er, geloof het of niet, nog veel te veel sneeuw ligt in het Noorse binnenland. Mathijs heeft met een paar anderen afgelopen dagen pogingen ondernomen om in Stolsheimen, een gebied net achter Bergen, een paar hutten te bereiken, maar alle tochten werden afgebroken vanwege een overmaat sneeuw. Tenzij de sneeuw de komende twee weken heel hard gaat smelten, de mensen van de DNT de bruggen neerleggen en we de Hardangervidda in kunnen, zullen we een nieuw plan moeten trekken, met wandelingen wat dichter bij de kust.
Einde betekent ook dat de vakken op de universiteit afgerond moeten worden. Het scheikundevak dat ik volgde is inmiddels afgelopen, met een enkele korte presentatie was het ineens klaar, punten binnen. Op 7 en 10 juni moet ik nog een mondeling tentamen neurochemie en een schriftelijk tentamen kwantummechanica ondergaan, en de tijd ervoor zo veel mogelijk besteden aan het voorbereiden daarvan. Ik ben geenszins overtuigd dat ik deze vakken makkelijk zal halen, aangezien beide een eindje uit de route van mijn gebruikelijke studiegebied liggen en ik tot nog toe vooral bezig ben geweest met het vermijden van geestelijke arbeid.
Ondertussen heb ik wel een nuttige voorbereiding voor mijn master getroffen, die komende september in Utrecht gaat beginnen. Voor die master word je namelijk geacht een jaar lang onderzoek te doen op een chemische vakgroep van de universiteit, en deze plek dien je zelf te vinden. Na wat mailtjes heen en weer heb ik de keuze tussen twee projecten bij dezelfde begeleider voorgelegd gekregen, op de vakgroep Inorganic Chemistry and Catalysis. Ik ga dan ofwel proberen vetzuurgestabiliseerde katalytische halfgeleider nanodeeltjes op een poreuze koolstofdrager te plaatsen, ofwel nieuwe karakterisatiemogelijkheden onderzoeken voor allerhande nanodeeltjes, gebruik makend van röntgenstraling en elektronenbundels. Voor die laatste optie zou ik dan ook een keer of twee mee gaan naar de synchrotron (een soort deeltjesversneller voor licht, CERN maar dan een stuk kleiner) in Hamburg of Grenoble, en mijn toekomstige begeleider vermeldde alvast even dat de vakgroep goede connecties heeft met een heleboel vooraanstaande buitenlandse onderzoeksinstituten, voor als ik mijn stage moet gaan doen voor het masterdiploma. Deze begeleider is een goede, erg enthousiast en heeft nu al een bescheiden reputatie binnen het chemische departement, omdat hij prijzen wist te winnen en tijdens zijn master al enkele artikelen wist te publiceren.
Dit alles stelt me gerust dat ik de komende twee jaar iets ga leren, dat ze nuttig gaan worden voor mijn chemische ontwikkeling en dat ik de gelegenheid ga krijgen een prestigieuze universiteit te bezoeken.
En dan was ik ook nog jarig. Heel veel dank voor de post en de verjaardagswensen anderszins, ik geniet nog steeds erg veel van geluid uit Nederland. Het weer was voor de gelegenheid prachtig, zo mooi zelfs dat ik met Mathijs en Christoph een duik kon nemen in het zeewater bij het koninklijk landhuis in Bergen. 's Avonds kwamen er een boel mensen met nog meer eten langs, met een groot internationaal eetfestijn tot gevolg. Hoogtepunten waren de brownies, de inmiddels klassieke ostscones, Mathijs' zelfgebakken appeltaart en Andreas' zelfgebakken croissants en pains au chocolat. Het was een van die avonden waar er aan noch het eten noch de gezelligheid een eind lijkt te komen.
De dag erna kwam mijn moeder aangevlogen, en kon ze nog net de laatste jam session van het semester meepakken. We speelden het grootste deel van de avond vol, met achteraf een licht neerslachtige Gunnar die graag nog vele sessies muziek met ons gezelschap had willen maken. De dag erna arriveerden Elias en Malu. Wederom kon ik de stad laten zien (en Det Lille Kaffekompaniet, voor de dagelijkse dosis espresso), en dit maal ook veel natuur. Met het weer goedgezind, min of meer, beklommen we Ulriken en Fløyen, en maakte ik met Elias en Malu een tochtje rond Telavåg op Sotra. Ook at ik voor het eerst buiten de deur in Bergen, en het blijkt goed mogelijk om erg lekker te eten voor een goede prijs, mits je de wijn achterwege laat. Het bezoek kreeg nog enkele tassen spullen van Mathijs en mij in handen gedrukt, zodat we tijdens het liften terug naar Nederland (hopelijk) niet meer dan een backpack, plus een gitaarkoffer in mijn geval, hoeven mee te nemen.
Om maar bij de rode draad van dit verhaal te eindigen, het semester komt ten einde. Er zijn veel 'laatste dingen,' en langzaamaan vertrekken de mensen met wie ik de afgelopen maanden opgetrokken heb. Belangrijkste in dit verband is Julia, die ik sinds een kleine maand mijn vriendin kan noemen. En dan kun je je tijd samen nog zo goed besteden (en gelukkig zijn de dagen tegenwoordig bijna zonder einde), het moment van afscheid blijft als een donkere wolk in het achterhoofd hangen.

Ze zouden komen, toen strooide een zekere IJslandse vulkaan roet in het eten, maar Ryanair besloot op het laatste moment toch naar Oslo te vliegen op 22 april. En dus kon ik een dag later Hanna en Annelot van de trein halen, of eigenlijk, vanwege een falende wekker, van de bushalte bij Fantoft. Die nacht had het nog eens flink gesneeuwd, en alle heuvels hadden hun witte toppen weer terug gekregen, wat, komend uit een Nederlandse lente, even verwerkt moest worden. Gelukkig draaide het weer naar heus lenteweer gedurende het weekend, zodat Hanna en Annelot konden proeven van twee seizoenen.
Na een ontbijtje en een klein dutje trokken we de stad in, en kreeg ik de kans om de stad aan anderen te laten zien. De houten steegjes van Bryggen, het uitzicht van Fløyen en de superieure koffie van Det Lille Kaffekompaniet. In de avonden maakten Hanna en Annelot zich geliefd bij een select gezelschap uitwisselingsstudenten door zeer smakelijke maaltijden op tafel te zetten, en konden ze inhaken bij een sessie muziek maken, met gitaar, ukulele, zang en een heleboel keukenaccesoires, waarna Annelot zich verbaasde dat je zo veel plezier kon hebben zonder een druppel alcohol. Ik geloof dat ze zich vermaakt hebben in deze stad, maar dat kan men misschien beter bij hun zelf navragen.
In de trein van Stockholm naar Oslo, een wat ouderwetse locomotief met een paar wagons erachter. Naast me zit Julia zijwaarts op de bank met haar tenen onder mijn dij voor de zoveelste keer naar 'Strawberry Swing' van Coldplay te luisteren. Christoph tegenover me is op zijn laptop aan het werken voor een opdracht voor een meteorologievak, en kijkt daarbij af en toe bedachtzaam naar het plafond van de wagon. Maud maakt wat oefeningetjes uit een leerboek Noors, dat ze kocht voor ze naar Bergen kwam, maar die ze tot nu toe nauwelijks open had geslagen. Inga leest aandachtig uit haar tijdschrift over de Zweedse koninklijke familie, omdat ze tijdens ons verblijf in Stockholm een lichte fascinatie voor die mensen heeft opgebouwd. Zelf lees ik een boek dat me heel erg goed bevalt, 'Immortality' van Milan Kundera, en kijk ik tussen de regels door naar het Zweedse binnenland dat voorbij komt. Zweden is veel vlakker dan ik dacht, en de stukken landbouwgrond doen me denken aan Nederland. Maar de naaldbossen en de meren, onder een blauwe lucht met wat wattenwolken, herinneren me er aan dat ik door Scandinavië reis. En terwijl ik mijn omgeving in me opneem, bedenk ik dat dit misschien wel het mooiste deel van de hele trip is: een lange, volkomen ontspannen treinreis door een onbekend gebied met vreemde namen.
Een week eerder reisden we met Mathijs nog in ons gezelschap met de trein van Bergen naar Göteborg. Voor het eerst kon ik daarbij het uitzicht bewonderen tussen Bergen en Oslo, waar de spoorlijn langs de rand van de Hardangervidda loopt. Het mag dan wel mei zijn inmiddels, in het Noorse binnenland is het gewoon nog winter, met slechts sneeuw en ijs waar je ook kijkt.
In Göteborg werden we opgewacht door Petter, onze couchsurfhost voor de komende twee nachten. Voor diegenen onbekend met het fenomeen: er bestaat een groep mensen die hun huis gratis openstellen voor bezoekers die een plek nodig hebben om de nacht door te brengen. Op internet kun je een profiel aanmaken en verzoeken tot slaapplaatsen versturen, en op die manier had Mathijs geregeld dat we twee nachten met ons zessen in het appartement van Petter konden doorbrengen. Petter toonde een mate van gastvrijheid die ik nog nooit heb gezien. Je krijgt het gevoel dat je een addertje mist als iemand je vertelt dat je in zijn huis mag slapen, zijn hele koelkast leeg mag eten en alles mag gebruiken dat je tegenkomt, bij voorkeur zonder het eerst te vragen, om vervolgens de sleutel te overhandigen met de mededeling dat hij bij zijn vriendin slaapt. Zoveel vriendelijkheid zonder tegenprestatie is een ervaring op zich, een die je doet afvragen hoe behulpzaam je zelf eigenlijk bent.
Met wat aanwijzingen en tips van Petter op zak trokken we de volgende ochtend de stad in. Göteborg blijkt een hele prettige stad te zijn, zonder veel bijzonder mooie gebouwen, maar met veel grote parken, gezellige straatjes en goede sfeer. We vulden de dag met slenteren langs Saluhallen, een grote overdekte markt, langs de elanden en pinguins in een van de parken, en met een bezoekje aan een goede gitaarwinkel, waar ik met trillende handjes een gitaar van meer dan 5000 euro van de muur pakte om tot mijn vreugde te ontdekennen dat mijn eigen gitaar beter klinkt. Een 24-karaats gouden tip die wij van Petter kregen, en die ik nu doorgeef aan ieder die overweegt Göteborg aan te doen, is een luxe (banket-)bakker genaamd Steinbrenner & Nyberg. Hier kun je voor een luttele 87 SEK (negen euro) genieten van de soep van de dag, verschrikkelijk lekker vergebakken brood, koffie en thee, en als eigenlijke hoogtepunt, een buffet van een stuk of zes hele chique taarten. En voor dat alles gold, neem zo veel je wilt. Student als wij zijn, hebben we voor drie dagen aan eten opgeschept en optimaal genoten van de zeldzame gelegenheid.
Na anderhalve dag in Göteborg pakten we de trein door naar Stockholm. Omdat we in Stockholm geen couchsurfhost konden vinden, hadden we een hutje genomen op een camping aan de rand van de stad. Het was er een van het minimalistische soort, zo klein dat je, wanneer we alle zes binnen waren, geen stap kon zetten zonder iemand aan te stoten. Maar het was goedkoop, en als je de hele dag buiten doorbrengt is dat eigenlijk het enige dat telt. Met een metrokaart op zak konden we gaan en staan waar we wilden, maar in de pratkijk kwamen we altijd uit in Gamla Stan, het oudste gedeelte van de stad. Hier vind je kleine steegjes en straatjes en het koninklijk paleis, waar elke dag om kwart over twaalf met veel poespas en fanfare de wacht gewisseld wordt. We hebben de dagen vooral doorgebracht met struinen, daarbij elk gebouw binnenlopend dat er enigszins interessant uitzag, en vele dubbele kopjes espresso. Stockholm is erg plezierig, en in tegenstelling tot Bergen is het een echte stad. Het gehele centrum is bezaaid met mooie straten en mooie huizen, en het water is nooit ver weg. In combinatie met goed weer is het de ideale plek om wat rond te lopen en om op bankjes te zitten.
Mathijs en ik konden het niet laten om een bezoek te brengen aan Ytterby, een bescheiden verzameling huizen op het eiland Resarö ten westen van Stockholm. Ytterby is bekend bij (bijna) alle scheikundigen, omdat er maar liefst vier elementen uit het periodiek systeem naar zijn vernoemd (erbium, terbium, yttrium en ytterbium). Er was vroeger namelijk een mijn op dat eiland waar men het mineraal gadoliniet delfde, en dat mineraal bevatte zes elementen die in die tijd nergens anders te vinden waren. Behalve een gedenkplaat op een steen en enkele straatnamen vermoend naar elementen is er echter niks te zien in Ytterby. Maar ik heb nu een drie kilogram zware steen uit Ytterby, en in scheikundige kringen is dat heel wat waard (sarcasme).
De dag voor de terugreis zetten we Mathijs op de boot naar Riga. Inmiddels is hij veilig aangekomen bij Renee in Moskou. Ik duim alvast voor een goede terugreis, per trein en boot door Estland, Finland en Zweden terug naar Bergen.
Dit stukje is geenszins een volledig verslag van de reis door Zweden, maar er mag ook wel iets te vertellen blijven als ik eenmaal terug ben in Nederland. Dat terug naar Nederland begint langzaam te dagen aan de horizon. Ik heb mijn kamer al opgezegd, en de terugreis is min of meer vastgesteld. Het plan is om 26 of 27 juni te beginnen met liften richting Nederland, met Mathijs, Christoph en Raoul, die twee weken eerder uit Nederland overkomt om hier te wandelen. Na een dag of drie zijn we dan waarschijnlijk thuis, via Kristiansand, de boot naar Hirsthals en dwars door Denemarken en een stuke Duitsland.
Tot die tijd geniet ik hier van de lente die eindelijk, na een zeer onstuimige en wispelturige maand april, begonnen is. De bomen worden langzaam groen, en de mensen beginnen meer te lachen. Helaas zal ik de komende dagen veel binnen moeten doorbrengen, omdat de vakken aan de universiteit hun einde naderen en ik natuurlijk veel te veel uit mijn neus heb zitten eten toen ik eigenlijk werken moest.
En aangezien het schrijven van dit stukje mij ook van het werk houdt, brei ik er met deze zin een eindje aan.
Tijdens de tweede bijeenkomst van de band deden we een poging om een naam te verzinnen voor onze groep. Uiteindelijk werd het 'The Elevators,' omdat, naast dat het wel aardig bekt, we telkens wanneer we in de lift stonden met een of meerdere personen en instrumenten, er een miniatuurimprovisatie ontstond. Sindsdien hadden we ook het idee om een keer en echte jamsessie in een van de liften op Fantoft te houden.
Vorige week vrijdag voegden we woord bij daad, en propten we ons met ons vijven, twee gitaren, een mandoline en een mondharmonica in een lift van de hoogste toren van Fantoft. Al spelend reisden we heen en weer tussen de begane grond en de zeventiende verdieping, geregeld met bezoek. Door de warmte in dat kleine hokje en het gebrek aan ruimte was de muziek niet altijd even spetterend, maar we hadden er verschrikkelijk veel plezier in. Zo waren de mensen op de negende verdieping zo enthousiast dat ze de lift keer op keer naar hun verdieping haalden om ons bij het openen van de deuren toe te juichen, en kregen we een tijdje bezoek van een Italiaans meisje dat ons tijdens het spelen roomijs voerde. En er was een goedlachse kerel die spontaan met een rap over zijn vriendin en zijn leven inhaakte, met onze stampende voeten als beat.
Na tweeënhalf uur hielden we het voor gezien, de benen en in mijn geval de ook de vingers moe. Maar het was erg leuk om eens een avondje mensen aan het lachen te krijgen.
Voor afgelopen weekend werd goed weer verwacht, en dus was het een goed moment voor de eerste serieuze wandeltocht van het jaar. Met zijn negenen namen we de bus naar Kårtveit, een verzameling huizen (of zoals de Engelsen mooi zeggen: 'hamlet') op het noordelijke deel van Sotra, een groot eiland (of eigenlijk een groep eilanden) dat Bergen van de Noordzee scheidt. Het plan was om vanaf daar in twee dagen de kleine 40 km naar Tælavåg te lopen, met onderweg de beklimming van Liatårnet, met 341 meter de hoogste berg van Sotra. In Noorwegen wordt het mooie principe van 'allemannsretten' gehanteerd, wat grofweg inhoudt dat je mag gaan en staan (en kamperen) waar je wilt, mits je de natuur niet verstoort en andermans eigendom niet beschadigt. En dus waren we allen beladen met slaapzakken, slaapmatjes, tentonderdelen en eten voor twee dagen.
Het weer was geweldig. Twee dagen slechts strakblauwe lucht, met een graad of 12, zodat je met de warmte van de inspanning erbij in alleen een t-shirt kunt lopen.
De eerste dag begonnen we rond een uur of één met lopen, en al meteen werd duidelijk dat de Noren niet zo bedreven zijn in het markeren van wandelpaden. Het vinden van het beginnetje van het eerste pad kostte al zo'n twintig minuten. Bijna onze hele route ging over het de 'Nordsjøløypa' (Noordzeepad), een verzameling paden in meerdere landen langs de Noordzee. Onze weg werd gemarkeerd door blauwe verfstrepen op stenen, op rechte stukken vaak om de drie meter een klodder. Maar op andere punten ontbrak de blauwe verf, bij voorkeur daar waar het pad een haakse bocht maakt, zodat je er pas na een meter of honderd achter komt dat je het pad al een tijdje kwijt bent. En dus werd de kaart regelmatig getrokken, om te zien of het pad links of rechts van dat plasje water of die ene heuvel liep, en hadden we de beste spoorzoekvaardigheden nodig om te ontdekken dat dat geknakte grassprietje inderdaad onderdeel was van het pad dat we zochten.
Ondanks dat alles kwamen we rond een uur of half acht met vermoeide benen aan bij een meertje genaamd Gyravatnet, waar we een zo vlak mogelijk stukje helling uitzochten voor de tenten. Het is iets heel moois om door een landschap zonder tekenen van beschaving te lopen op zoek naar een mooi slaapplekje, en er vervolgens je basis van te maken voor een nacht.
Robert en Christoph deden een poging een vis te vangen, de rest hield zich bezig met het opzetten van tenten, en het verzamelen van hout voor een vuurtje. We zaten daarna gehuld in alle kleren die we bij ons hadden rond het vuur, roosterden worstjes en fabriceerden koekjes met gesmolten chocola. Toen het vuur ons niet meer warm kon houden, vertrokken we richting tent, om te ontdekken dat zelfs deze betrekkelijk vlakke ondergrond geenszins vlak was. Het hoofdeinde van Mathijs' tent lag een goede dertig centimeter lager dan het voeteneinde, wat mij al na vijf minuten hoofdpijn bezorgde. Het lag stukken beter met mijn hoofd in het smalle voeteneinde, ik hoefde alleen nog maar een positie te vinden waarbij ik geen last had van de enorme graspollen onder mijn heup en knie. Mijn hoogwaardige slaapmatje leek tegen deze bulten niet opgewassen, maar wonderbaarlijk genoeg heb ik toch een aardige nachtrust te pakken weten te krijgen. In de andere tenten waren ze helaas minder goed geslaagd.
Dag twee begon met het beklimmen van Liatårnet, na dag een en de nacht een behoorlijke uitputtingsslag.
Na veel stijgen en dalen, een omweg hier en daar, langs en over rotsen en moerassen kwamen we rond een uur of vier aan bij het tankstation in Sund. Hier hielden Julia en Robert het voor gezien, omdat ze geen zin meer hadden om de laatste tien kilometer af te leggen. Terwijl zij terug naar Bergen liftten, gingen wij verder richting Kallestad en ten slotte Tælavåg. Dit deel van de route voerde langs hoge rotskusten en vele meertjes, in prachtige laagstaande zon. De laatste kilometers waren wat gehaast, omdat de vertrektijd van de laatste bus uit Tælavåg wel erg snel dichterbij kwam. We konden de huizen al vroeg zien staan, maar het dorp wilde maar niet dichterbij komen. Uiteindelijk bereikten we de bushalte met een half uur speling, maar alleen omdat we een pad vonden dat niet op de kaart stond maar een flink stuk van de geplande route afsneed.
Daar was eindelijk het moment om in te storten. Wandelen met al die spullen bij je over terrein dat nooit vlak is, is zwaar, erg zwaar. Maar zelden heb ik me zo voldaan gevoeld na een flinke wandeling. Wildkamperen tijdens zo'n tocht voegt erg veel toe aan de ervaring, ondanks de ongemakken die daarbij komen kijken. Je hebt echt het gevoel dat je losstaat van de bewoonde wereld, met alles wat je nodig hebt in een rugzak op je rug.
Deze tocht maakte mijn verlangen naar een grote trektocht deze zomer weer wat groter. Inmiddels hebben de plannen een iets vastere vorm aangenomen. Het idee is dat ik met Mathijs halverwege juni een dag of twaalf door een nog te bepalen gebied in Noorwegen ga trekken, hopelijk vergezeld door Raoul. Waarschijnlijk zullen de rugzakken en het landschap dan zwaarder zijn, maar ik heb er vertrouwen in dat we het met wat oefening wel aankunnen om in die tijd ongeveer 200 km af te leggen. Eind juni kom ik dan weer terug naar Nederland, om de maand juli op de universiteit in Utrecht te werken bij de onderzoeksgroep waar ik mijn bacheloronderzoek gedaan heb.
Inmiddels is het weer gaan regenen, zoals het hoort hier in Bergen. Maar ik ben voor de zoveelste keer overtuigd dat Noorwegen een van de mooiste landen van de wereld is.
Gewoonlijk ben ik niet het type dat regelmatig over het weer keuvelt, maar voor het Bergense lenteweer maak ik graag een uitzondering. Met lenteweer bedoel ik dan niet per sé dat zonnige warme weer waar je je jas voor uittrekt, maar het weer dat toevallig in de periode van het jaar valt die wij lente noemen. En dat weer kan werkelijk van alles zijn. Eergisteren bijvoorbeeld werd ik wakker met een sneeuwbui van formaat, de zoveelste van deze week, waardoor het hele uitzcht weer wit begon te kleuren. Aan het eind van de ochtend braken de wolken echter op en kwam de zon hier en daar tevoorschijn. Gedurende de middag smolt bijna alle sneeuw voor de zon en voelde het als ware lente. Het einde van de middag bracht vervolgens nog een flinke regenbui, de schemering vond plaats in bijna wolkenloze lucht, maar 's nachts was er geen ster te zien. Kortom, je hebt geen flauw idee wat er komen gaat. Zelfs het Noorse meteorologische instituut, waarvan je toch enige kennis van zaken mag verwachten, is niet in staat om zelfs het weer van de volgende dag bij benadering correct te voorspellen. Wanneer zij regen zeggen vliegen de zonnestralen je om de oren en vice versa. Dit alles maakt het plannen van een mooie wandeling wat moeilijk, maarja, het houdt de spanning erin.
Na dagen van regen vraag je je wel eens af waarom je ook alweer zo nodig naar Bergen moest, maar als je je tijdens een droog momentje buiten waagt zijn alle ongemakken snel vergeten. Een paar dagen terug bevond ik mezelf in een prachtig bos op de steile helling van Fløyen, met sprankelend groen mos op de vloer en statige dennen die het licht verstrooien. En met een half uurtje sta je dan weer in het centrum van de stad. En gisteren beklom ik met Mathijs Ørnafjellet en de Lyderhorn voor de tweede keer, badend in het zonlicht, met kwetterende vogeltjes overal.
Vorige week donderdag vond er nog een massale skitrip plaats naar Eikedalen plaats, een dorpje wat meer naar het oosten. Er lag nog genoeg sneeuw, maar door de miezer die gestaag naar beneden kwam was het wel hard bezig te smelten. De regen en de mist maakten het wel wat lastig om de hobbels in de sneeuw te onderscheiden, vooral omdat mijn bril geen ruitenwissers heeft, waardoor ik soms halfblind de berg af ging en me liet verrassen door wat er voor me lag.
Eergisteren schiep ik een tweede goede gelegenheid om een been te breken. Tijdens het belopen van bergen kom je nogal eens Noren op hardloopschoenen tegen die de berg op- en afrennen in plaats van rustig lopen. In een poging in te burgeren wilde ik dat ook wel eens proberen, maar het blijkt nogal vermoeiend te zijn. Ik koos uiteindelijk voor de oude bekende Løvstakken, 477 meter hoog, rende naar de voet van de berg en liep zo hard als ik kon omhoog, om op de top te ontdekken dat er toch nog aardig wat sneeuw lag. Bovendien stonden alle paden onder water of modder of allebei, waardoor mijn voeten al snel in mijn schoenen zwommen. Maar dat weerhield me er niet van om zo snel mogelijk een weg naar beneden te vinden, al springend van steen naar steen, de diepste plassen ontwijkend. Met soppende schoenen rende ik de 4.5 km terug naar Fantoft, waarna mijn benen redelijk naar hun spreekwoordelijke grootje waren. Het was leuk om eens te proberen, maar ik betwijfel of ik het nog een keer ga doen. Misschien nog eens als echt alle sneeuw gesmolten is.
Afgelopen week stond vooral in het teken van niks doen. De Noren kennen een echte Paasvakantie, met bijbehorende ongemakken als bussen die nauwelijks rijden en supermarkten die dicht zijn. Maar de universiteiten houden ook rust, dus veel uitwisselingsstudenten maken van de gelegenheid gebruik om een ander stukje Noorwegen te gaan verkennen. Er zijn de laatste tijd ook veel bezoekers van thuisfronten hier geweest. Zo kreeg Mathijs Renee uit Moskou op bezoek, kwamen het zusje van Robert en de moeder van Julia uit Duitsland, en kwamen er drie Nederlandse meisjes langs die hier vorig semester hebben gestudeerd, om nog even te genieten van de vertrouwede Fantoftsfeer nu er nog bekenden van hun verblijven. En dus wordt er steeds weer uitvoerig en smaakvol gekookt, worden er taarten gebakken (bijvoorbeeld een overheerlijke variatie op de Engadiner Nusstorte met hazelnoten en walnoten door Julia en mijzelf) en worden er hele avonden aan tafel doorgebracht.
Ter viering van Pasen werd er met vereende Duits-Nederlandse kracht een grote brunch geïmproviseerd met Noorse Wafels, brownies, pannenkoeken, veel eieren en een sneetje roggebrood, waarna we uit pure nostalgie beschilderde eieren in het bos verstopten en weer vonden. Om vervolgens weer terug te keren naar de tafel voor wat koude huisgemaakte pizza van de dag ervoor. Geen betere manier om je Pasen door te brengen.
Vorige aflevering was ik helemaal vergeten te vermelden dat ik inmiddels een huisgenoot heb. Het is een Fransman genaamd Tristan, die hier drie maanden verblijft voor een bioinformatica stage op een onderzoeksgroep van de universiteit. Ondanks de zeer bescheiden afmetingen van het appartementje waar ik woon, zie of spreek ik hem nauwelijks. Overdag is hij vrijwel altijd weg, en 's avonds ben ik meestal op bezoek bij iemand in het gebouw hiernaast. En als we dan toch onverhoopt tegelijk thuis zijn, zit hij meestal in zijn eigen kamer met de deur dicht. Maar het is een erg vriendelijke jongen, met enkele vreemde eetgewoonten hier en daar. Zo heb ik hem nog nooit met een stuk groente of fruit betrapt, en mag hij graag dineren met spaghetti gedrenkt in sojasaus.
Eindelijk begint het ook hier in het noorden een beetje lente te worden. De afgelopen week heeft het vooral veel geregend, en is de meeste sneeuw in de stad gesmolten. Opeens komen er onder de sneeuw allemaal pleintjes en grasveldjes tevoorschijn. Het verschil is nog groter op de heuvels rond de stad. De paden die ik nu al bijna drie maanden bewandel zijn veranderd in stromende beekjes, en de heuvels blijken veel meer rots te zijn dan ik dacht. De verandering zorgt er wel voor dat je je weg nauwelijks meer vinden kunt, zonder voetstappen in de sneeuw om je te leiden. De lente mag hier dan wat later komen, het is wel een intocht van formaat. Alsof een nieuw landschap plotseling onthuld wordt.
Een avond werd gevuld met een zeer succesvolle jam session, met een volle zaal, ware improvisatie en niets dan enthousiasme onder de muzikanten en de toeschouwers. Ik heb de gehele avond en de dag erna een brede glimlach op mijn gezicht gehad, wat word je blij van zo'n avond vol muziek.
Een andere avond gingen we naar een opvoering van het studententheater, een musical genaamd 'The Rocky Horror Show,' in het Noors maar toch goed te volgen.
Via via kwam ik ook nog terecht bij een kunstacademiestudente die voor haar eindexamenproject een film maakte waarin ze onbekenden kustte, om te onderzoeken hoe mensen daar verschillend mee omgaan en zich (on)gemakkelijk voelen. En dus zal ik eind mei ergens te zien zijn op een eindexamenexpositie, de kunstenares in kwestie kussend.
Met een Duits-Nederlands-Luxemburgs gezelschap van zes personen hebben we gisteren treinkaartjes geboekt voor een tripje naar Göteborg en Stockholm eind april, met het voornemen om door middel van het zogenaamde 'couch surfen' betaling voor slaapplaatsen te ontduiken. Het werd wel eens tijd om Bergen te verlaten en de Scandinavische omgeving te gaan verkennen.
En morgen staat er een dagje skiën in Eikedalen op het programma, met een kleine tweehonderd andere studenten.
Het stukje is helaas geëindigd in een wat saaie opsomming, volgende keer zal ik pogen een wat lopende verhaal te produceren. Tot slot dan nog een zelfportretje, ik had het beloofd.

Het weer in Bergen is de draad een beetje kwijtgeraakt. Afgelopen week was het veelal grijs, met wolken die rustten op de toppen van de heuvels, met wat regen hier en daar. Maar af en toe brak de boel open, soms maar voor een uurtje, en leek het al een beetje op lente. Vandaag is het precies omgekeerd, het is een mooie dag met wat stapelwolken en mooi Hollands licht, maar in het afgelopen halfuur is er een sneeuwstorm verschenen en verdwenen, slechts op doortocht.
Hier houden we vast aan de hoop dat de winter echt aan zijn laatste loodjes bezig is, en dat de sneeuw snel zal verdwijnen. Sneeuw is mooi en fijn, maar als het dooit wordt sneeuw bruine troep. Je gaat verlangen naar de kleur groen, naar meertjes in plaats van witte vlakken, naar droge broekspijpen na het wandelen.
Sinds de vorige aflevering zijn er weer enkele oefenbijeenkomsten geweest van de band. Improvisatie heeft, tot mijn grote blijdschap, weer een belangrijkere plek ingenomen. De liedjes die we spelen op de jam sessions (ook vanavond is er weer een) zijn leuk om te spelen voor publiek, maar het is niet bijzonder leerzaam. Het improviseren is echter een goede les, en ik geniet met volle teugen. Vorige week verzandde ik met Gunnar (op keyboard ditmaal) in een stukje muziek dat bestond uit twee akkoorden, waar we ongeveer een half uur in bleven hangen. De muziek ging op en neer door alle tempo's, ritmes en volumes, steeds weer proberend het stuk wat te draaien. Het mooiste was nog wel dat we zonder teken of afspraak precies tegelijk hetzelfde akkoord krachtig neerzetten, als een echt einde. Op zo'n moment, na een stroom geluid die niet op lijkt te houden, kun je alleen nog in lachen uitbarsten.
Een paar dagen later een soortgelijk fenomeen, dit keer met twee keyboards en een mondharmonica. Ik hou van dat gevoel dat je niet nadenkt over wat je doet, wat je speelt, maar dat je gewoon luistert naar het geluid dat midden in de kamer hangt, en probeert daar iets aan toe te voegen. Natuurlijk is dit alles geen hoogstaande muziek, misschien niet eens prettig om naar te luisteren, maar het te produceren is magisch.
Eenieder die dit leest en een instrument bespeelt, ik moedig je aan het eens te proberen, of je nou denkt te kunnen improviseren of niet (ikzelf kan er niks van bijvoorbeeld). Verzamel wat mensen die ook iets bespelen, neem een akkoordje of drie en kijk wat er gebeurt. Bij terugkomst in Nederland ga ik zeker op zoek naar een groepje enthousiastelingen.
Verder is het leven niet bijzonder spectaculair geweest de afgelopen dagen, maar dat is zeker geen slechte zaak. Door het slechte weer heb ik slechts een keer een wandeling kunnen maken, naar de top van Løvstakken voor de zoveelste keer, maar vanwege een venijnig windje op de top heb ik er niet lang kunnen blijven. Hetzelfde weer zorgde er wel voor dat ik wat meer tijd heb doorgebracht met een groep uitwisselingsstudenten die goede vrienden beginnen te worden. De grotere keukens in het gebouw naast het mijne lenen zich goed voor samen koken en samen eten. Onder het genot van een PET-fles huisgemaakte wijn, met een smaak die zich laat omschrijven als zoete vruchtjes met een harde trap na, eventueel met een spelletje erbij zijn de avonden goed door te brengen. In deze sferen zijn er al heel wat mooie culinaire creaties ontstaan, zoals pizza-from-scratch, Julia's kerrie/tomatenpastasaus en een soort scones/broodjes met kaas van binnen. Maar het hoogtepunt kwam gisteren, met volledig eigenhandig in elkaar gedraaide kleffe, met amandel en chocoladebrokken gevulde, warme brownies met vanilleijs. Zo verleidelijk dat je tot misselijkheid dooreet, en dan nog een stukje.
Volgende keer komen er weer foto's, misschien zelfs wel eentje waar ik zelf op sta, met mijn veel te lange haar.
Ik begin zowaar enkele woorden Noors te spreken. Elke week wordt er in het gebouw waar ook de taalcursus Noors wordt gegeven (waar ik niet aan deelneem) een Noorse film getoond, met Noorse ondertitels. Vorige week maandag ging ik daar voor het eerst heen, en toen bleek dat je met de beelden en Nederlandse/Engelse taalkennis als ondersteuning een heel eind kunt komen met het begrijpen van de tekst. Bovendien is het een hele ontspannende manier van je woordenschat vergroten en uitspraak leren kennen. Afgelopen maandag werd de film 'Salmer fra Kjøkkenet' ('Kitchen Stories') getoond, een mooie en licht absurde film die ik iedereen kan aanraden.
Zoals dat wel vaker gaat, leer je als eerste vloeken in een nieuwe taal. In het Noors klinkt het erg goed, al zal ik het natuurlijk niet te veel in het openbaar oefenen (voor een educatief filmpje, zie hier).
En nu we het toch over taal hebben, tijdens een college kwantummechanica vorige week raakte ik zo geïrriteerd over het onvermogen van de professor om haarzelf uit te drukken in lopende zinnen, dat ik haar woorden letterlijk ging notuleren in mijn collegeblok om te kijken of ze misschien bij tweede lezing wel ergens op sloegen. Een representatief fragment uit drie uur college:
(Engels met sterke Poolse tongval) "Ok, so, ehm, and the whole thing makes sense, because, ehm, we would like to have, if we take a wave function in position space, we would like, hmmm?, we would like, right?, this for example, to not to be independent on representation, so now we see, it's like that, in definition, it has to be like this, the completeness criteria, right?, hmmm? ..."
Ik geef het maar op deze tekst enigszins chronologisch te laten verlopen. We springen even terug naar zondag 21 februari, naar de tweede jam session in Klubb Fantoft waar we met de band optraden, dit keer in een aangepaste samenstelling met Julia als zangeres, Miguel als derde gitaar en Dirk die spontaan inviel als drummer. Optreden ging wederom erg goed, al hadden we beter wat langer kunnen wachten met spelen, want aan het einde van de avond was de zaal nog steeds vol, maar was de stroom muziek een beetje opgedroogd.
Zo langzaamaan begin ik wel een beetje te verlangen naar wat meer uitdaging en wat meer originaliteit. Gunnar (de Noor op mandoline/keyboard/zang) is erg muzikaal creatief en humoristisch, en Pietro (de Italiaan op gitaar) en ik moeten in staat zijn wat degelijk gitaarwerk te produceren, dus de ingrediënten zijn aanwezig voor 'echte' muziek. Ik hoop dat we binnenkort wat extremere versies van nummers in elkaar kunnen draaien, of meer eigen geschreven nummers (Gunnar heeft al een briljant nummer geschreven over de wasmachines op Fantoft, tekst verschijnt tezijnertijd hier op de blog).
Verder blijf ik natuurlijk veel wandelen, nog steeds door de sneeuw. Ulriken werd twee keer binnen een week beklommen. De tweede keer probeerden we de berg in omgekeerde volgorde te bedwingen, dat wil zeggen, de steile route omhoog (zie foto hierboven, met een korrel zout) en de wat vriendelijkere lange weg naar beneden. Het had toen net een hele dag en een nacht gesneeuwd, dus kwamen we thuis met compleet doorweekte broeken en schoenen, en compleet vermoeid door het ploegen door de sneeuwlaag die op sommige plekken meer dan een meter dik was (op een gegeven moment moest ik uit de sneeuw getrokken worden omdat ik tot mijn middel in de sneeuw gezakt was).
Een nieuwe vondst was de Lyderhorn, ten Westen van Bergen. Deze wandeling bevindt zich iets verder van de drukte van de stad, en geeft weer een ander beeld van de omgeving van Bergen. Ik wandelde omhoog, in slechts een T-shirt en een trui, badend in de zon, met de vogeltjes fluitend om mij heen, door de sneeuw, langs wat meertjes, rotsen en bomen. Het voelde als lente, met alle schoonheden van de winter. Dagen als deze blijven zich opstapelen, het Bergense snertweer heeft zijn thuiskomst wederom uitgesteld.
Tenslotte nog een klein voorproefje voor de koffieliefhebbers die Bergen gaan bezoeken. Vandaag maakte ik een ronde door het centrum van Bergen met iemand die namens de toneelvereniging posters op ging hangen, hetgeen ons langs vele gezellige café's bracht (denk houten muren, bankstellen, goede geur uit de keuken en een grote gevulde boekenplank voor als je iets wilt lezen). Op ons lijstje stond ook Det Lille Kaffekompaniet, een heel klein koffiebarretje achter het beginstation van Fløybanen. Ik herinnerde te hebben gelezen in de Lonely Planet dat ze daar de beste koffie van Noorwegen schonken, dus ik moest de proef op de som nemen. Ik betaalde 20 kronen (dat is veel) voor een kopje espresso dat met de grootste moeite op te delen was in drie muizenslokjes, niet meer dan een bodempje in het toch al kleine kopje. Maar ik heb nog nooit eerder zo'n koffiesmaak mee mogen maken, met alle bittere, zoete en donkere trekjes die koffie lekker zo maken. Eenieder die mij op komt zoeken kan een bezoekje aan dit zaakje niet overslaan, ik kan je beloven dat je nog nooit zoiets geproefd hebt.
Even leek het erop dat de winter zijn vertoning aan het afbouwen was. De zon deed de bovenste sneeuwlaag smelten en de koude nachten deden deze laag weer vastvriezen, waardoor er in de stad bijna uitsluitend nog plakken ijs lagen op de stoepen en de weinig bereden straten. De afgelopen dagen heb ik een nieuwe ronde gemaakt over de drie mooiste heuvels rond Bergen, maar de meeste paden waren eveneens compleet bedekt met ijs, waardoor de weg omhoog slechts mogelijk werd gemaakt door enkele behulpzame bomen met handvaten naast het pad, en de weg naar beneden gepaard ging met veel onvrijwillige glijpartijen en tekenfilmachtig armgezwaai.
Maar vandaag is het al de hele dag aan het sneeuwen, de straten worden weer wit, en we kunnen weer opnieuw beginnen met het aftellen naar de lente.
Enkele oplettende lezers merkten al op dat er weinig tijd besteed lijkt te worden aan studeren, terwijl dit toch de reden of het excuus is om een half jaar in Bergen te wonen. Ik besteed hier inderdaad niet zo veel tijd aan mijn studie in vergelijking met het Utrechtse onderwijs en in het bijzonder in vergelijking met de tweede helft van 2009. Twee van de drie vakken die ik hier volg zijn vooral een bron van frustratie. Het chemische vak over analysetechnieken wordt gedoceerd door een professor die duidelijk niet boven de stof staat die hij dient over te brengen. Hij verteld een uur lang over een apparaat, maar weet daarin niet meer dan ongeveer tien minuten informatie over te brengen. Uit ergernis stel ik dan vaak wat meer verdiepende vragen, in de hoop de informatiedichtheid te verhogen, maar de professor is tot nu toe nog niet in geslaagd om ook maar een enkele vraag afdoende te beantwoorden.
Het vak kwantummechanica wordt gegeven door een Poolse fysica, die subtiel maar consequent laat blijken dat ze liever iets anders zou doen dan lesgeven. College begint meestal met de opmerking dat ze verschrikkelijk moe is en liever zou gaan slapen. Ze praat in gebrekkige Engelse zinnen die nooit worden afgemaakt, waardoor je nooit echt een idee hebt wat ze aan het doen is. Tijdens het afleiden of uitwerken van vergelijkingen maakt ze nogal eens fouten, wat niet zo erg is, maar vervolgens verwijt ze het de studenten dat ze niet goed genoeg opletten om haar fouten te corrigeren. Ze volgt een Noors studieboek op de voet, terwijl het een Engelse cursus is. De aanwezige uitwisselingsstudenten moesten dus maar kiezen tussen een ander boek kopen en zelf proberen de behandelde onderwerpen te vinden, of Noors lezen. Maar het meest ergerniswekkende is dat ze het vak doceert zonder enige achtergrond, context of enthousiasme, terwijl kwantummechanica, in mijn ogen, zo verschrikkelijk interessant kan zijn.
Het derde vak wordt zoals al eerder vermeld heb niet gedoceerd, maar bestaat in zijn geheel uit zelfstudie. Wel heb ik al twee keer een bijeenkomst gehad met enkele Noorse medestudenten om wat hoofdstukken door te spreken. Dit is voor mij erg leerzaam, omdat ik het een en ander aan medische achtergrond mis (bijvoorbeeld het verschil tussen het centrale, het perifere, het motorische, het autonome, het sympathische en het parasympathische zenuwstelsel). Het vak ligt een aardig eindje buiten mijn chemische vakgebied, maar daardoor heb ik wel het idee dat ik echt iets nieuws leer. En ik ben nog steeds erg nieuwsgierig naar de werking van hersenen, in de hoop een beeld te krijgen van wat de moderne wetenschap al kan verklaren en allicht een betere ondergrond aan te leggen voor mijn gedachtenspinsels over de menselijke geest en het bewustzijn.
Al met al ben ik niet erg gecharmeerd van het niveau van het universitair onderwijs hier, en nog iets minder van de professoren. Nou moet ik wel erkennen dat de situatie in Utrecht vergelijkbaar was, al waren de vakken daar bij uitzondering wel van goed niveau. Maar ik ben niet naar Noorwegen vertrokken voor het uitstekende onderwijs, zoals jullie misschien al hebben gededuceerd. Wel heb ik uit lichte ergernis het plan opgevat om tijdens mijn masterstudie nog eens een half jaar uit Nederland te vertrekken, bij voorkeur naar een vooraanstaande universiteit. Een halfjaar onderwijs of onderzoek in Cambridge of Oxford bijvoorbeeld zou ik wel waarderen. Dat zijn echter wel de universiteiten waar je veel met aanbevelingsbrieven en cijferlijsten moet wapperen om er binnen te komen, maar het is hoogstwaarschijnlijk een serieuze poging waard.
Enkele minuten geleden ontdekte ik dat de Jehova's ook tot Noorwegen doorgedrongen zijn. De blonde Noorse mevrouw probeerde mij met een plaatje van een cel ervan te overtuigen dat DNA het bouwplan van de mens is, en dat dit slechts door God bedacht kan zijn. Het kwam vrij hard aan dat ik chemicus bleek te zijn en enkele dikke pillen over de cel bestudeerd had voor mijn studie, en hierna geconcludeerd had dat ik geen god nodig had om de werking van een cel te verklaren. Er ontstond gedurende ons korte gesprek een klein zenuwtrekje naast haar linkeroog, die nog eens extra opspeelde toen ik zonder een spoor van twijfel kon beweren dat Intelligent Design een mening was die mijn overeenstemming niet zal ontvangen.
Ik heb mij de laatste dagen ook erg vermaakt met het kijken van Kamerdebatten. Het is een interessant spelletje, waarbij de ondervraagde probeert met zo veel mogelijk woorden zo min mogelijk te zeggen en de andere deelnemers proberen de ondervraagde net zo lang met vragen te bestoken en onder druk te zetten tot deze per ongeluk iets loslaat. Dit gaat dan door tot het hele verhaal stukje bij beetje uitgesproken is en de waarheid min of meer op tafel ligt. Ik ben in ieder geval enigszins opgelucht dat het kabinet inderdaad gevallen is en dat de betrokken ministers er niet vanaf komen met een halfbakken lijmpoging. Ben je even een paar weken het land uit, ligt de Nederlandse politiek meteen op zijn gat. Ik moet maar eens uitzoeken hoe ik iemand in Nederland machtig om voor mij te stemmen.
Tot zover voor vandaag, vanavond staat er weer een jam session op het programma in Klubb Fantoft, dus mijn handjes mogen weer aan het werk.

Er valt een boel te schrijven deze editie, dus misschien is het verstandig er een kopje thee met een stapel kaakjes bij te pakken, om de dorst en lichte trek halverwege wat te sussen.
We beginnen bij vorige week zaterdag, bij het optreden op het Chinese nieuwjaarsfeest. Of eigenlijk de middag ervoor nog, toen ik met Susan (Duitse) en Mathijs een wandelingetje maakte langs en over de lagere regionen van Løvstakken, wat uitmondde in het rollen van enorme sneeuwballen (straal dikke vijftig centimeter), het boetseren van een sneeuwpop met twijfelachtig hoofddeksel en het bijbehorende sneeuwgevecht. Afijn, aan het eind van die middag werd wij, de band, opgehaald bij Fantoft met onze instrumenten. In de zaal waar het grote feestgebeuren plaats zou vinden konden we alvast het geluid regelen en een opstellinkje bouwen. Het grootste deel van de tijd werd besteed aan het vinden van het mengpaneel, alle aanwezige regelchinezen bleven maar zeggen dat ze niks van elektronica wisten. Rond de klok van half zeven werd er wat afhaaleten geserveerd, Chinees natuurlijk, voor alle mensen die bezig waren geweest de zaal te decoreren en voor ons. 'Chinees natuurlijk' werd daarna een beetje de rode draad van de avond. Het overgrote deel van de gasten die binnen kwamen druppelen was Chinees, de aan-elkaar-prater praatte Chinees (en een voorzichtig woordje Noors), en de inhoud van bijna alle programmaonderdelen was Chinees. Deze onderdelen liepen uiteen van een 8-jarig Pakistaans meisje dat piano speelde, een wedstrijd met stokjes eten, een Chinese taalles (in het Chinees) en natuurlijk ons optreden. Dit alles gewenteld in een dikke laag verwarring en onduidelijkheid. Er stonden wel tafels met stoelen voor iedereen, maar mensen liepen vooral rond, praten overal doorheen (in het Chinees) en wij hadden eigenlijk op geen enkel moment een idee van wat er gaande was.
Toch kwamen we tegen het eind van de avond op het podium met zijn vijven, en speelden we onze drie nummers: 'The House of the Rising Sun', een blues in C en 'Oh, Darling.' En het ging goed, vanuit mijn positie klonk het in ieder geval goed (behalve dat ik in mijn vergeetachtigheid iemands solo oversloeg). Ik heb niet naar de gezichten in de zaal kunnen kijken, maar ik vermoed dat het publiek wat verbaasd reageerde op de muur geluid die ineens van het podium kwam. Bovendien was er, in tegenstelling tot de rest van het programma, niet veel Chinees aan ons optreden. Maar wij hadden er lol in, het eten was lekker, dus het was een geslaagde avond.
De volgende avond mochten we alweer los, ditmaal op de tweede 'jam session' van het semester in Klubb Fantoft. Er was tegen verwachting in veel volk op komen dagen om de muziek te beluisteren, misschien voor een gedeelte dankzij de posters die we opgehangen hadden om onze bandnaam ('The Elevators' dus) een beetje naamsbekendheid te geven. Sommige mensen moesten staan of op de grond zitten, en het bleek de drukste zondagavond sinds tijden te zijn. Dit optreden ging nog beter dan de dag ervoor. Het is een bijzonder gevoel als er een volle zaal toeschouwers luid applaudiseert en juicht voor een stukje muziek dat jij net hebt staan voordragen. Niet zozeer egostreling, maar het gevoel dat je niet de enige bent die zich geweldig vermaakt. Het smaakt naar meer. De rest van de avond werd gevuld met enkele andere muzikanten, wat improvisatie hier en daar en tenslotte weer twee nummers gespeeld door mij alleen.
Verdere noemenswaardige activiteiten van afgelopen week: een avond naar de verfilming van "Fantastic Mr. Fox" (aanrader), een avond met soep en spelletjes (Suppe og Spil) bij een Nederlandse uitwisselingsstudent die in het centrum van Bergen zijn kamer heeft, een avond films kijken en overheerlijke zoete broodjes bakken bij een van de Noorse bandleden, een avond nieuwe liedjes verzinnen met de band, een middag in mijn eentje Fløyen beklimmen en wat schrijven op het topje (met ijskoude vingers), en daarna was het alweer weekend.
Sinds de eerste dag in Bergen hing het idee in de lucht om een keertje te gaan skiën in Voss, zo'n 100 km ten oosten van Bergen. Na een vluchtig rekensommetje bleek dat een heel weekend skiën onbetaalbaar is, dus moest het blijven bij een enkel dagje. En dus reden we met de auto van de Slowaakse uitwisselingsstudente Andrea gevuld met nog drie anderen en mijzelf zaterdagochtend om half acht weg van Fantoft. Al snel werd duidelijk dat autorijden in Noorwegen anders is dan autorijden in Nederland. We reden de hele weg over de E16, de enige weg tussen Oslo en Bergen, de twee grootste steden van het land, maar het is een simpele slingerende tweebaansweg, grotendeels door tunnels, die in Nederland met moeite een N-nummer zou bemachtigen. De borden zeggen dat je 60 km/h of 70 km/h moet rijden, maar als je dat netjes doet, of zelfs als je wat harder rijdt, krijg een staart Noren achter je rijden die loeren op een kansje je te passeren. De meesten gaven ons in het voorbijrijden echter geen 'evil eye,' zoals vooral de mannelijke autorijders dat zo goed kunnen, dus ik vermoed dat ze weinig kwaad in de zin hadden. Het kostte uiteindelijk een uur en drie kwartier om Voss te bereiken, waarna het grote zoeken naar de skipiste begon. De tankstationmedewerkster wist van niks ("Ja, je kunt hier skiën, maar hoe je er komt, je moet een weg nemen, omhoog ergens, tsja, ik weet het niet zo goed, het station, ergens, in die buurt, een weg omhoog."). Maar ondanks dat en de complete afwezigheid van verkeersborden die naar de skipiste wezen vonden we vrij snel de goede weg omhoog. De laatste paar honderd meter van die weg was echter compleet bedekt met ijs, waar Andrea's arme Suzuki Swift (en Andrea zelf) niet zo goed raad mee wist. Na enkele pogingen verder te komen, waarbij de auto telkens naar beneden gleed als je de auto van de handrem afhaalde en gas gaf, besloten we de auto maar achter te laten en het laatste stukje te gaan lopen.
Eindelijk bestemming bereikt, ski's en stokken gehuurd, skipas betaald, stoeltjeslift genomen, stonden we met zijn vijven boven op Hanguren, klaar om op een gecontroleerde manier op de latten af te dalen. Ik heb twee keer eerder geskied in de Alpen, maar beide keren kostte het zeker een dag of twee om te wennen aan die dingen aan je voeten en er een beetje mee over weg te kunnen. Ditmaal echter, tot mijn verbazing, had ik na een minuut of tien de vaardigheid waar ik de laatste keer mee eindigde, en ging ik zonder problemen met een noodvaart de berg af. Tenminste, het zal er wel niet fantastisch professioneel hebben uitgezien, maar ik behield consequent mijn evenwicht, de algehele controle en ik kon netjes binnen de lijntjes van de piste blijven. En het voelt geweldig, om je naar beneden te laten vallen, met 60 km/h een scherpe bocht te maken en met soepele bochtjes van een veel te steile helling af te dalen. Alles onder een stralende winterse zon, bij een graad of -5 (al was het die ochtend in de mist nog -18 graden). Na een hele dag op en neer zaten we in het begin van de avond met vermoeide benen in de auto terug naar Bergen, waar je dan bijzonder veel geniet van je grote bord pasta.
Vandaag, tenslotte, liepen we met weer een ander internationaal gezelschap een tochtje over Fløyen en Rundemanen, twee heuvels naast Bergen, om vervolgens achterlangs weer terug te keren naar de stad, waarbij ik me voor de zoveelste maal gelukkig prees met de nabijheid van deze prachtige wandelingen.
Vanwege de grootte van de lap tekst die hierboven staat, schuif ik het onderwerp 'Onderwijs in Bergen' maar even naar volgende keer.
De sneeuw is hier nog steeds in overvloed aanwezig en de meeste fietspaden zijn bedekt door een dikke laag sneeuw dan wel bruine smurrie. Dat weerhoudt mij er voorlopig van om op zoek te gaan naar een fiets. Gevolg is dat ik bijna elke dag wel een retourtje naar het centrum maak met de bus, hetgeen in mijn ogen een prachtige gelegenheid is om het gedrag van 'de Noor(se)' eens goed te bestuderen.
Noren zijn over het algemeen niet erg ontvankelijk voor intermenselijk contact tijdens het verblijf in de bus. Nu zijn de bussen vanwege het weer bijna altijd goed gevuld, met als gevolg dat er een soort spanning heerst omdat de passagiers wel in elkaars buurt móéten komen. Natuurlijk zullen de Noren eerst proberen een lege tweezitsplaats te vinden, en gaan dan bij voorkeur op de stoel naast het gangpad zitten met hun tas naast het raam, om een extra signaal af te geven dat het niet de bedoeling is dat er iemand naast hun komt zitten. Als er geen lege tweezitsplaatsen meer beschikbaar zijn, kun je bij alle binnenkomende Noren een subtiele vorm van wanhoop op het gezicht aflezen. De meesten kijken zorgvuldig de bus rond om te kijken welke medepassagier de hoogste waarschijnlijkheid biedt dat deze zijn mond dicht houdt en netjes uit het raam blijft staren. Met lichte tegenzin gaat de Noor dan op een stoel naast het gangpad zitten, een beetje op het randje, zodat je niet per ongeluk met je been iemand anders zijn jas aanraakt. Sommige Noren echter vinden dit soort dingen net wat te ver gaan, en deze blijven dan gewoon staan. Het mooiste is nog wel dat een Noor die zich noodgedwongen naast een onbekend iemand bevindt direct verhuist als er ineens een tweezitsplaats vrijkomt.
Ik vind het allemaal prachtig om naar te kijken. Natuurlijk negeer ik consequent alle gebruiken en ga ik bij voorkeur zitten naast diegene die mijn bestaan het hardst ontkent als ik de bus binnen stap.
Blijven we even bij de Noorse eigenaardigheden, en komen we bij het fenomeen 'brunost' (bruunoest), met als populairste variant 'Gudbrandsdalsost.' Deze bruine kaas (zoals de naam allicht al deed vermoeden) is de trots van Noorwegen en er wordt door elke Noor gemiddeld zo'n vier kilogram per jaar van weggewerkt. Het is tevens een van de vreemdste dingen die ik ooit gegeten heb. Brunost wordt gemaakt van ongeveer een kwart geitenmelk en de rest koeienmelk. Door een lange verhitting wordt een deel van de suikers in de melk omgezet in karamel, vandaar de bruine kleur. Het eindproduct is een blok kaas waar je de pittigheid van de geitenmelk proeft naast de zoete smaak van karamel, in een substantie die nog het meest lijkt op boter, zodat je vlak nadat je een plakje proeft een plasje moeilijk te definiëren bruin spul in je mond hebt. Deze kaas eten de Noren op brood, maar ook op warme wafels met jam. Eigenlijk eten ze het met alles wat ze kunnen vinden.
Verder zijn de Noren dol kabeljauw (torsk), voedsel uit een tube, en heel erg veel diepvriespizza.

Afgelopen dinsdag ging ik met twee jongens van mijn kwantummechanicavak naar het bètagebouw, omdat hier een informatiemarkt met bedrijven scheen te zijn, inclusief alle gadgets en lokkertjes die bedrijven gebruiken om zieltjes te winnen. En inderdaad, bij alle standjes stond een grote schaal chocolaatjes of snoepjes om studenten te verleiden om wat dichterbij te komen. Het heeft iets humoristisch en misschien ook wel iets treurigs, dat je studenten, de zogenaamde elite, met een snoepje zover kunt krijgen dat ze tegen hun zin met iemand in gesprek treden. Er bleek echter ook een wedstrijd te zijn waar je twintig minuten de tijd kreeg om met zijn drieën een autootje van Lego te maken die aangedreven werd door een elastiekje. De bouwers van het voertuig dat het verste kon rijden kregen elk een iPod nano. Nou hoef ik niet zo nodig een iPod, maar met onder ons vele jaren Lego-ervaring leek het ons wel een leuke uitdaging. Helaas kwamen we na twintig inspannende minuten bouwen en testen een luttele 25 cm tekort voor de overwinning (op een afstand van een meter of tien). Bij wijze van troostprijs gingen we wel naar huis met elk een tasje of vier met noodles, instantsoep, mentos en kauwgom, die uitgedeeld werden aan alle passerende studenten en aan het eind van de dag in grote getale overbleven.
Gisteren gingen Mathijs en ik voor het eerst klimmen bij de klimhal naast Fantoft. Helaas was de hal nogal klein. Het grootste probleem was echter dat er in Noorwegen bijna uitsluitend voorgeklommen wordt (dat wil zeggen, de klimmer neemt het touw met zich mee omhoog en klikt dit onderweg aan de muur vast) in plaats van het zogenaamde 'top-rope' klimmen dat in Nederland bijna overal gedaan wordt (dat wil zeggen, het touw is boven aan de muur bevestigd). Dat voorklimmen is de enige manier van klimmen als je op echte rotsen gaat klimmen, maar ook een stukje moeilijker dan top-rope en je moet er een korte cursus voor volgen voordat je het veilig toe kunt passen.
Daar komt in mijn geval dan nog bij dat gitaar spelen en klimmen een soort complementaire hobby's zijn: voor de eerste wil je soepele vingers hebben en lange nagels op je rechterhand, voor de tweede wil je vooral sterke vingers hebben met zo kort mogelijk nagels. Doordat ik sinds oktober niet meer geklommen heb, zijn mijn onderarmen niks meer gewend en heb ik nu flinke spierpijn, wat het muzikale optreden van morgenavond waarschijnlijk niet ten goede gaat komen. Het zijn van die lullige probleempjes. Maar als ik moet kiezen tussen bezigheden gaat de gitaar, vanwege zijn lange staat van dienst, natuurlijk voor.
Volgende editie zal ik mijzelf eens kritisch uitlaten over het universitaire onderwijs in Bergen, en tevens verslag doen van de optredens van 'The Elevators' op het Chinese festival (dat overigens gewoon Chinees nieuwjaar blijkt te zijn) en in Klubb Fantoft. Jullie kunnen vast niet wachten...
(En hier staat mijn stukje over het Noorse alcoholbeleid, voor de geïnteresseerden.)
De frequentie van de stukjes hier begint een beetje af te nemen, merk ik. De nieuwigheid van het wonen in een andere stad is er ook wel af. Sommige bezigheden, vooral de studiegerelateerde, nemen veel tijd in beslag, maar hoeven ook weer niet elke keer in detail te worden beschreven.
Vorige keer zei ik dat ik van plan was te gaan spelen met wat andere muzikanten hier, zodat de op de volgende jam session in 'Klubb Fantoft' samen iets degelijks konden gaan spelen. Inmiddels zijn we al twee keer bij elkaar gekomen, onder de voorlopige naam 'The Elevators' (omdat het ons leuk leek om een liftconcert te geven, we de sfeer naar een hoger niveau brengen, en nummer wilden schrijven met slechts de graffiti in de liften van Fantoft als tekst, et cetera). De bezetting is momenteel twee gitaren, een keyboard, een mandoline en een mondharmonica, en soms zingt er iemand een stukje. Ik vind het verschrikkelijk leuk en leerzaam om een beetje te improviseren met de anderen. Je hoeft maar twee akkoorden in te zetten en er haken mensen in, en een paar minuten later heb je swingende muziek. Ook hebben we 'The House of the Rising Sun' en 'Oh, Darling' bewerkt tot versies waar solo's inpassen (en een mandolinepartij).
De vraag is nu of het even leuk is om naar de luisteren als het is om te spelen, maar dat gaan we komende zondag op de jam session testen. Ook lijkt het erop dat we al iets serieuzers neer moeten zetten over een week, op een Chinees festival hier in Bergen. Onze keyboardster kende de organisator en haalde ons over om in ruil voor eten te komen spelen. Ik ben benieuwd hoe dat uit gaat pakken. In ieder geval slijt ik nu ongeveer een huidlaag per dag weg op mijn linker vingertoppen door het vele oefenen.
Verder heb ik, eindelijk, mijn kwantummechanische paper opgestuurd naar de Utrechtse professor (exemplaren op te vragen bij ondergetekende, voor de belangstellenden). Nou maar hopen dat het goed genoeg is om het vak succesvol af te ronden.

Gelukkig kom ik ook nog wel eens buiten. Ik blijf enorm genieten van de omgeving van Bergen. Voor de mensen die van plan waren hier langs te komen en het lopen niet schuwen, ik kan jullie zo een paar prachtige wandelingen aanwijzen met verschillende moeilijkheidsgraden en lengtes. Tenminste, ik weet niet hoe ze er zonder sneeuw uitzien.

De mooiste wandeling tot nu toe was die van gisteren, toen we bij Gullfjellet gingen beklimmen, even ten oosten van Bergen. Dit gebied was beduidend minder belopen dan de paden rond Bergen. Het pad dat we volgden was diezelfde dag nog gemaakt door een enkele langlaufer. Dat maakte het lopen niet altijd even makkelijk, omdat je regelmatig ver in de sneeuw zakte, of grote (schuine) plakken ijs moest oversteken. Maar al onderglijdend en wegzakkend hebben we toch een topje bereikt met werkelijk fenomenaal uitzicht. Wandelen door de sneeuw is een heel bijzondere ervaring, omdat er werkelijk niks anders om je heen is dat witte sneeuw, blauwe lucht en een enkel stukje steen. Op de foto's ziet het er daardoor soms wat monochroom uit, maar de werkelijkheid is prachtig. Het landschap wordt er heel stil en rustig van.

Tot slot wilde ik nog even opmerken dat de Noorse taal soms humoristisch uit de hoek kan komen, voor ons Nederlanders dan. Beste voorbeeld hiervan dat ik ben tegengekomen is een kerk hier niet ver vandaan, genaamd 'Slettebakken Kirke.' Je vraagt je af wat er daar gepredikt wordt...
Mij wordt nog wel eens verweten, als ik vakantiefoto's laat zien, dat ik zo weinig mensen op de foto heb staan. Dat het soms lijkt alsof ik in mijn eentje door de bergen heb gelopen. Om deze klacht bij voorbaat een beetje op te vangen, zal ik eens wat schrijven over de mensen hier.
Ik spreek vooral erg veel uitwisselingsstudenten. Hier op Fantoft (enkele lage flats en een hoge vol studenten) wonen bijna alleen maar uitwisselingsstudenten, in Klubb Fantoft (kroeg/café/club) komen dus ook bijna alleen maar uitwisselingsstudenten en eventuele activiteiten worden vaak georganiseerd voor en door, je raadt het al, uitwisselingsstudenten. De studenten komen van over de hele wereld, de mensen die ik regelmatig zie komen bijvoorbeeld uit Duitsland, Canada, Slowakije, de VS, Italië, Oostenrijk, Australië, Finland en natuurlijk ook een paar uit Nederland. Dus je kunt tijden praten over de verschillen tussen al die landen. Iedereen hier is erop uit om mensen te ontmoeten, waardoor er geregeld eetpartijtjes en samenkomsten anderszins zijn waar je een heleboel mensen tegenkomt.
Dit alles helpt niet echt om mijn Noors te verbeteren. Behalve de enkele woordjes in de supermarkt spreek ik het eigenlijk niet, ook omdat er weinig oefening te krijgen is. Meestal krijg ik wel een aardig idee van het gespreksonderwerp als twee Noren met elkaar praten, maar dat is niet genoeg om iets terug te kunnen zeggen. En als je eenmaal in het Engels begint, dan komt er van dat Noors helemaal niks meer. De Noren die je ziet op straat of in de bus zijn, zoals Wendela al gehoord had, een beetje nors. Ze lijken er niet echt op uit om contact te maken met andere, vreemde mensen. In de bus word ik doorgaans compleet genegeerd, zelfs door de chauffeur, maar ik blijf natuurlijk gewoon consequent 'Hei' zeggen tot ze het door hebben dat ze iets terug moeten zeggen. Nu vind ik het niet zo raar dat mensen je op straat negeren, maar als je in de heuvels aan het lopen bent is het niet anders. Ik was altijd gewend in Nederland en ook in de Alpen dat je je medewandelaars altijd vriendelijk groet of op zijn minst toeknikt. Zelfs dat heb ik hier zelden gezien.

Dat gezegd hebbende lijkt het er ook op dat de uitzonderingen op deze algemene houding des te vriendelijker zijn. Als het eerste contact eenmaal gemaakt is, zijn de Noren verschrikkelijk behulpzaam en aardig. Om het een en ander toe te lichten: vandaag begon mijn vak Neurochemistry, althans, volgens mijn informatievoorziening. Ik moest me melden bij de receptie op de zesde verdieping van een gebouw bij het ziekenhuis, maar daar aangekomen (netjes op tijd) wist de receptioniste helemaal niks van enig onderwijs die dag. Ook al had ze geen idee waar ik het over had, heeft ze net zo lang rondgebeld en gevraagd totdat ze iemand gevonden had die mij verder kon helpen. Uiteindelijk bleek dat de professor de bijeenkomst had verplaatst naar morgen, maar dat stond natuurlijk niet op mijn internetpagina. Overigens blijkt dat vak een zelfstudievak te zijn, wat betekent dat ik op eigen houtje een boek door mag gaan werken de komende paar maanden. Terwijl ik juist zo gesteld was op de passieve route van kennisvergaring...
Ook het vak Experimental Techniques in Physical Chemistry begon vandaag. We zijn met zijn tienen, geleid door een professor die erg hakkelend Engels spreekt. De Noren bij dit vak zijn dan weer wat minder communicatief, en stelden al hun vragen consequent in het Noors. Voor de praktische opdrachten zal ik gaan samenwerken met een beginnende PhD-student genaamd Vijayshankar uit het zuiden van India (die een beetje vreemd ruikt).
Sinds het vorige stuk hier heb ik al wat meer van de omgeving van Bergen verkend. Vorige week woensdag beklommen we Ulriken, de hoogste heuvel rond Bergen, met tevens het mooiste uitzicht. Deze wandeling was de langste en de zwaarste tot nu toe, zeker omdat de laatste honderden meters door een dikke laag sneeuw gelopen moest worden, waar je bij elke stap tot halverwege je schenen in de sneeuw zakte.

Die vrijdag ben ik met Mathijs gaan liften richting de Hardangerfjord. Uiteindelijk kwamen we zo'n 100 km ten oosten van Bergen uit, in het plaatsje Norheimsund. Hier had je een prachtig uitzicht op de op-een-na grootste fjord van Noorwegen. Het was alleen wel wat kouder daar in het binnenland dan we verwacht hadden, dus toen we een uur moesten wachten op een auto terug naar Bergen waren we wel een beetje verkleumd. Toevallig was er vlak achter onze liftplek een hele mooie, 50 meter hoge, geheel bevroren waterval waar je achterlangs kon lopen. Dat was een heel bijzonder gezicht, een waterval die instantaan leek te zijn bevroren, inclusief de rare vormen en spetters. Het was dan ook, volgens de geëmigreerde Nederlander die we daar spraken, een tijdje -24 graden geweest daar. Uiteindelijk kregen we een directe lift terug naar Bergen van een kleine Schot die elke zin antwoordde met "Ay, lads!" en het gespreksonderwerp minimaal eens per vijf minuten terugbracht op de schoonheid van Noorse meisjes. Hij boodt ons bij afscheid nog een zomerbaantje aan op een van zijn viskwekerijen.

Naast een korte verkenning van het eiland Sotra, ben ik de rest van de dagen vooral bezig geweest met het schrijven van mijn eerdergenoemde paper. Het begint langzaam ergens op te lijken, maar omdat het een zeer controversieel onderwerp is ben ik erg veel tijd kwijt met het lezen van artikelen (bijvoorbeeld getiteld: "Decoherence and Ontology (or: How I learned to stop worrying and love FAPP)"). Maar na morgen zijn al mijn vakken begonnen en zal ik wat minder tijd hieraan te besteden hebben.
Ik was van plan mijn Noorse woordenschat een klein beetje te vergroten door een kinderboek te kopen dat ik al ken en dat proberen te lezen. Helaas bleek een nieuw exemplaar een beetje te duur, maar tot mijn grote vreugde kwam ik twee prachtige boeken van Pettson tegen bij de tweedehands winkel ("Pannekakerøre" en "Gubben og katten på teltur")! Dat zijn nog eens lichtpuntjes.
Een laatste noemenswaardige gebeurtenis was een 'jam session' in Klubb Fantoft afgelopen zondag. Het idee bleek dat mensen met wat instrumenten, die daar aanwezig waren, muziek mochten gaan maken, in aanwezigheid van iedereen die maar wilde komen luisteren. Ik had al aan enkele mensen verteld dat ik mijn gitaar mee had genomen, dus die moedigden mij aan eens iets te laten horen. Ik voelde er niet zo veel voor om met anderen te improviseren, omdat ik daar niet bepaald goed in ben, maar aan het eind van de avond, toen ik genoeg moed verzameld had, heb ik nog wel een dikke twintig minuten voor enkele tientallen toehoorders wat nummers gespeeld. En gelukkig ging dat nog best goed. Ook had ik met de andere muzikanten afgesproken om eens een keer samen te oefenen zodat we op een volgende gelegenheid samen iets goeds kunnen gaan spelen. Twee van deze muzikanten bleken ook nog eens echte authentieke Noren!
Zijn we alweer aangekomen bij het vragenrondje:
Jan Peke: Dat rechthoekige witte vlak in de stad is een grote vijver die helemaal bevroren en besneeuwd is.
Nadine: Ja, ik was gewaarschuwd voor de Noorse prijzen, maar heb het niettemin een beetje onderschat. Ik had verwacht dat de (non-alcoholische) artikelen in de supermarkt niet zo duur zouden zijn, omdat de Noren toch ook moeten eten, maar ik was vergeten dat de Noren natuurlijk een Noors salaris krijgen. En waarom Mathijs geen blog heeft, tsja, dat mag je aan hem vragen.