donderdag 15 april 2010

Wildkamperen en liftconcerten

Tijdens de tweede bijeenkomst van de band deden we een poging om een naam te verzinnen voor onze groep. Uiteindelijk werd het 'The Elevators,' omdat, naast dat het wel aardig bekt, we telkens wanneer we in de lift stonden met een of meerdere personen en instrumenten, er een miniatuurimprovisatie ontstond. Sindsdien hadden we ook het idee om een keer en echte jamsessie in een van de liften op Fantoft te houden.
Vorige week vrijdag voegden we woord bij daad, en propten we ons met ons vijven, twee gitaren, een mandoline en een mondharmonica in een lift van de hoogste toren van Fantoft. Al spelend reisden we heen en weer tussen de begane grond en de zeventiende verdieping, geregeld met bezoek. Door de warmte in dat kleine hokje en het gebrek aan ruimte was de muziek niet altijd even spetterend, maar we hadden er verschrikkelijk veel plezier in. Zo waren de mensen op de negende verdieping zo enthousiast dat ze de lift keer op keer naar hun verdieping haalden om ons bij het openen van de deuren toe te juichen, en kregen we een tijdje bezoek van een Italiaans meisje dat ons tijdens het spelen roomijs voerde. En er was een goedlachse kerel die spontaan met een rap over zijn vriendin en zijn leven inhaakte, met onze stampende voeten als beat.
Na tweeënhalf uur hielden we het voor gezien, de benen en in mijn geval de ook de vingers moe. Maar het was erg leuk om eens een avondje mensen aan het lachen te krijgen.

Voor afgelopen weekend werd goed weer verwacht, en dus was het een goed moment voor de eerste serieuze wandeltocht van het jaar. Met zijn negenen namen we de bus naar Kårtveit, een verzameling huizen (of zoals de Engelsen mooi zeggen: 'hamlet') op het noordelijke deel van Sotra, een groot eiland (of eigenlijk een groep eilanden) dat Bergen van de Noordzee scheidt. Het plan was om vanaf daar in twee dagen de kleine 40 km naar Tælavåg te lopen, met onderweg de beklimming van Liatårnet, met 341 meter de hoogste berg van Sotra. In Noorwegen wordt het mooie principe van 'allemannsretten' gehanteerd, wat grofweg inhoudt dat je mag gaan en staan (en kamperen) waar je wilt, mits je de natuur niet verstoort en andermans eigendom niet beschadigt. En dus waren we allen beladen met slaapzakken, slaapmatjes, tentonderdelen en eten voor twee dagen.
Het weer was geweldig. Twee dagen slechts strakblauwe lucht, met een graad of 12, zodat je met de warmte van de inspanning erbij in alleen een t-shirt kunt lopen.
De eerste dag begonnen we rond een uur of één met lopen, en al meteen werd duidelijk dat de Noren niet zo bedreven zijn in het markeren van wandelpaden. Het vinden van het beginnetje van het eerste pad kostte al zo'n twintig minuten. Bijna onze hele route ging over het de 'Nordsjøløypa' (Noordzeepad), een verzameling paden in meerdere landen langs de Noordzee. Onze weg werd gemarkeerd door blauwe verfstrepen op stenen, op rechte stukken vaak om de drie meter een klodder. Maar op andere punten
ontbrak de blauwe verf, bij voorkeur daar waar het pad een haakse bocht maakt, zodat je er pas na een meter of honderd achter komt dat je het pad al een tijdje kwijt bent. En dus werd de kaart regelmatig getrokken, om te zien of het pad links of rechts van dat plasje water of die ene heuvel liep, en hadden we de beste spoorzoekvaardigheden nodig om te ontdekken dat dat geknakte grassprietje inderdaad onderdeel was van het pad dat we zochten.
Ondanks dat alles kwamen we rond een uur of half acht met vermoeide benen aan bij een meertje genaamd Gyravatnet, waar we een zo vlak mogelijk stukje helling uitzochten voor de tenten.
Het is iets heel moois om door een landschap zonder tekenen van beschaving te lopen op zoek naar een mooi slaapplekje, en er vervolgens je basis van te maken voor een nacht.
Robert en Christoph deden een poging een vis te vangen, de rest hield zich bezig met het opzetten van tenten, en het verzamelen van hout voor een vuurtje. We zaten daarna gehuld in alle kleren die we bij ons hadden rond het vuur, roosterden worstjes en fabriceerden koekjes met gesmolten chocola. Toen het vuur ons niet meer warm kon houden, vertrokken we richting tent, om te ontdekken dat zelfs deze betrekkelijk vlakke ondergrond geenszins vlak was. Het hoofdeinde van Mathijs' tent lag een goede dertig centimeter lager dan het voeteneinde, wat mij al na vijf minuten hoofdpijn bezorgde. Het lag stukken beter met mijn hoofd in het smalle voeteneinde, ik hoefde alleen nog maar een positie te vinden waarbij ik geen last had van de enorme graspollen onder mijn heup en knie. Mijn hoogwaardige slaapmatje leek tegen deze bulten niet opgewassen, maar wonderbaarlijk genoeg heb ik toch een aardige nachtrust te pakken weten te krijgen. In de andere tenten waren ze helaas minder goed geslaagd.
Dag twee begon met het beklimmen van Liatårnet, na dag een en de nacht een behoorlijke uitputtingsslag.
Na veel stijgen en dalen, een omweg hier en daar, langs en over rotsen en moerassen kwamen we rond een uur of vier aan bij het tankstation in Sund. Hier hielden Julia en Robert het voor gezien, omdat ze geen zin meer hadden om de laatste tien kilometer af te leggen. Terwijl zij terug naar Bergen liftten, gingen wij verder richting Kallestad en ten slotte
Tælavåg. Dit deel van de route voerde langs hoge rotskusten en vele meertjes, in prachtige laagstaande zon. De laatste kilometers waren wat gehaast, omdat de vertrektijd van de laatste bus uit Tælavåg wel erg snel dichterbij kwam. We konden de huizen al vroeg zien staan, maar het dorp wilde maar niet dichterbij komen. Uiteindelijk bereikten we de bushalte met een half uur speling, maar alleen omdat we een pad vonden dat niet op de kaart stond maar een flink stuk van de geplande route afsneed.
Daar was eindelijk het moment om in te storten. Wandelen
met al die spullen bij je over terrein dat nooit vlak is, is zwaar, erg zwaar. Maar zelden heb ik me zo voldaan gevoeld na een flinke wandeling. Wildkamperen tijdens zo'n tocht voegt erg veel toe aan de ervaring, ondanks de ongemakken die daarbij komen kijken. Je hebt echt het gevoel dat je losstaat van de bewoonde wereld, met alles wat je nodig hebt in een rugzak op je rug.
Deze tocht maakte mijn verlangen naar een grote trektocht deze zomer weer wat groter. Inmiddels hebben de plannen een iets vastere vorm aangenomen. Het idee is dat ik met Mathijs halverwege juni een dag of twaalf door een nog te bepalen gebied in Noorwegen ga trekken, hopelijk vergezeld door Raoul. Waarschijnlijk zullen de rugzakken en het landschap dan zwaarder zijn, maar ik heb er vertrouwen in dat we het met wat oefening wel aankunnen om in die tijd ongeveer 200 km af te leggen. Eind juni kom ik dan weer terug naar Nederland, om de maand juli op de universiteit in Utrecht te werken bij de onderzoeksgroep waar ik mijn bacheloronderzoek gedaan heb.

Inmiddels is het weer gaan regenen, zoals het hoort hier in Bergen. Maar ik ben voor de zoveelste keer overtuigd dat Noorwegen een van de mooiste landen van de wereld is.

zondag 4 april 2010

Meteorologische schizofrenie en Paasrust

Gewoonlijk ben ik niet het type dat regelmatig over het weer keuvelt, maar voor het Bergense lenteweer maak ik graag een uitzondering. Met lenteweer bedoel ik dan niet per sé dat zonnige warme weer waar je je jas voor uittrekt, maar het weer dat toevallig in de periode van het jaar valt die wij lente noemen. En dat weer kan werkelijk van alles zijn. Eergisteren bijvoorbeeld werd ik wakker met een sneeuwbui van formaat, de zoveelste van deze week, waardoor het hele uitzcht weer wit begon te kleuren. Aan het eind van de ochtend braken de wolken echter op en kwam de zon hier en daar tevoorschijn. Gedurende de middag smolt bijna alle sneeuw voor de zon en voelde het als ware lente. Het einde van de middag bracht vervolgens nog een flinke regenbui, de schemering vond plaats in bijna wolkenloze lucht, maar 's nachts was er geen ster te zien. Kortom, je hebt geen flauw idee wat er komen gaat. Zelfs het Noorse meteorologische instituut, waarvan je toch enige kennis van zaken mag verwachten, is niet in staat om zelfs het weer van de volgende dag bij benadering correct te voorspellen. Wanneer zij regen zeggen vliegen de zonnestralen je om de oren en vice versa. Dit alles maakt het plannen van een mooie wandeling wat moeilijk, maarja, het houdt de spanning erin.
Na dagen van regen vraag je je wel eens af waarom je ook alweer zo nodig naar Bergen moest, maar als je je tijdens een droog momentje buiten waagt zijn alle ongemakken snel vergeten. Een paar dagen terug bevond ik mezelf in een prachtig bos op de steile helling van Fløyen, met sprankelend groen mos op de vloer en statige dennen die het licht verstrooien. En met een half uurtje sta je dan weer in het centrum van de stad. En gisteren beklom ik met Mathijs Ørnafjellet en de Lyderhorn voor de tweede keer, badend in het zonlicht, met kwetterende vogeltjes overal.

Vorige week donderdag vond er nog een massale skitrip plaats naar Eikedalen plaats, een dorpje wat meer naar het oosten. Er lag nog genoeg sneeuw, maar door de miezer die gestaag naar beneden kwam was het wel hard bezig te smelten. De regen en de mist maakten het wel wat lastig om de hobbels in de sneeuw te onderscheiden, vooral omdat mijn bril geen ruitenwissers heeft, waardoor ik soms halfblind de berg af ging en me liet verrassen door wat er voor me lag.
Eergisteren schiep ik een tweede goede gelegenheid om een been te breken. Tijdens het belopen van bergen kom je nogal eens Noren op hardloopschoenen tegen die de berg op- en afrennen in plaats van rustig lopen. In een poging in te burgeren wilde ik dat ook wel eens proberen, maar het blijkt nogal vermoeiend te zijn. Ik koos uiteindelijk voor de oude bekende Løvstakken, 477 meter hoog, rende naar de voet van de berg en liep zo hard als ik kon omhoog, om op de top te ontdekken dat er toch nog aardig wat sneeuw lag. Bovendien stonden alle paden onder water of modder of allebei, waardoor mijn voeten al snel in mijn schoenen zwommen. Maar dat weerhield me er niet van om zo snel mogelijk een weg naar beneden te vinden, al springend van steen naar steen, de diepste plassen ontwijkend. Met soppende schoenen rende ik de 4.5 km terug naar Fantoft, waarna mijn benen redelijk naar hun spreekwoordelijke grootje waren. Het was leuk om eens te proberen, maar ik betwijfel of ik het nog een keer ga doen. Misschien nog eens als echt alle sneeuw gesmolten is.

Afgelopen week stond vooral in het teken van niks doen. De Noren kennen een echte Paasvakantie, met bijbehorende ongemakken als bussen die nauwelijks rijden en supermarkten die dicht zijn. Maar de universiteiten houden ook rust, dus veel uitwisselingsstudenten maken van de gelegenheid gebruik om een ander stukje Noorwegen te gaan verkennen. Er zijn de laatste tijd ook veel bezoekers van thuisfronten hier geweest. Zo kreeg Mathijs Renee uit Moskou op bezoek, kwamen het zusje van Robert en de moeder van Julia uit Duitsland, en kwamen er drie Nederlandse meisjes langs die hier vorig semester hebben gestudeerd, om nog even te genieten van de vertrouwede Fantoftsfeer nu er nog bekenden van hun verblijven. En dus wordt er steeds weer uitvoerig en smaakvol gekookt, worden er taarten gebakken (
bijvoorbeeld een overheerlijke variatie op de Engadiner Nusstorte met hazelnoten en walnoten door Julia en mijzelf) en worden er hele avonden aan tafel doorgebracht.
Ter viering van Pasen werd er met vereende Duits-Nederlandse kracht een grote brunch geïmproviseerd met Noorse Wafels, brownies, pannenkoeken, veel eieren en een sneetje roggebrood, waarna we uit pure nostalgie beschilderde eieren in het bos verstopten en weer vonden. Om vervolgens weer terug te keren naar de tafel voor wat koude huisgemaakte pizza van de dag ervoor. Geen betere manier om je Pasen door te brengen.