zondag 21 februari 2010

Professoren en glijpartijen

Even leek het erop dat de winter zijn vertoning aan het afbouwen was. De zon deed de bovenste sneeuwlaag smelten en de koude nachten deden deze laag weer vastvriezen, waardoor er in de stad bijna uitsluitend nog plakken ijs lagen op de stoepen en de weinig bereden straten. De afgelopen dagen heb ik een nieuwe ronde gemaakt over de drie mooiste heuvels rond Bergen, maar de meeste paden waren eveneens compleet bedekt met ijs, waardoor de weg omhoog slechts mogelijk werd gemaakt door enkele behulpzame bomen met handvaten naast het pad, en de weg naar beneden gepaard ging met veel onvrijwillige glijpartijen en tekenfilmachtig armgezwaai.
Maar vandaag is het al de hele dag aan het sneeuwen, de straten worden weer wit, en we kunnen weer opnieuw beginnen met het aftellen naar de lente.
Enkele oplettende lezers merkten al op dat er weinig tijd besteed lijkt te worden aan studeren, terwijl dit toch de reden of het excuus is om een half jaar in Bergen te wonen. Ik besteed hier inderdaad niet zo veel tijd aan mijn studie in vergelijking met het Utrechtse onderwijs en in het bijzonder in vergelijking met de tweede helft van 2009. Twee van de drie vakken die ik hier volg zijn vooral een bron van frustratie. Het chemische vak over analysetechnieken wordt gedoceerd door een professor die duidelijk niet boven de stof staat die hij dient over te brengen. Hij verteld een uur lang over een apparaat, maar weet daarin niet meer dan ongeveer tien minuten informatie over te brengen. Uit ergernis stel ik dan vaak wat meer verdiepende vragen, in de hoop de informatiedichtheid te verhogen, maar de professor is tot nu toe nog niet in geslaagd om ook maar een enkele vraag afdoende te beantwoorden.
Het vak kwantummechanica wordt gegeven door een Poolse fysica, die subtiel maar consequent laat blijken dat ze liever iets anders zou doen dan lesgeven. College begint meestal met de opmerking dat ze verschrikkelijk moe is en liever zou gaan slapen. Ze praat in gebrekkige Engelse zinnen die nooit worden afgemaakt, waardoor je nooit echt een idee hebt wat ze aan het doen is. Tijdens het afleiden of uitwerken van vergelijkingen maakt ze nogal eens fouten, wat niet zo erg is, maar vervolgens verwijt ze het de studenten dat ze niet goed genoeg opletten om haar fouten te corrigeren. Ze volgt een Noors studieboek op de voet, terwijl het een Engelse cursus is. De aanwezige uitwisselingsstudenten moesten dus maar kiezen tussen een ander boek kopen en zelf proberen de behandelde onderwerpen te vinden, of Noors lezen. Maar het meest ergerniswekkende is dat ze het vak doceert zonder enige achtergrond, context of enthousiasme, terwijl kwantummechanica, in mijn ogen, zo verschrikkelijk interessant kan zijn.
Het derde vak wordt zoals al eerder vermeld heb niet gedoceerd, maar bestaat in zijn geheel uit zelfstudie. Wel heb ik al twee keer een bijeenkomst gehad met enkele Noorse medestudenten om wat hoofdstukken door te spreken. Dit is voor mij erg leerzaam, omdat ik het een en ander aan medische achtergrond mis (bijvoorbeeld het verschil tussen het centrale, het perifere, het motorische, het autonome, het sympathische en het parasympathische zenuwstelsel). Het vak ligt een aardig eindje buiten mijn chemische vakgebied, maar daardoor heb ik wel het idee dat ik echt iets nieuws leer. En ik ben nog steeds erg nieuwsgierig naar de werking van hersenen, in de hoop een beeld te krijgen van wat de moderne wetenschap al kan verklaren en allicht een betere ondergrond aan te leggen voor mijn gedachtenspinsels over de menselijke geest en het bewustzijn.
Al met al ben ik niet erg gecharmeerd van het niveau van het universitair onderwijs hier, en nog iets minder van de professoren. Nou moet ik wel erkennen dat de situatie in Utrecht vergelijkbaar was, al waren de vakken daar bij uitzondering wel van goed niveau. Maar ik ben niet naar Noorwegen vertrokken voor het uitstekende onderwijs, zoals jullie misschien al hebben gededuceerd. Wel heb ik uit lichte ergernis het plan opgevat om tijdens mijn masterstudie nog eens een half jaar uit Nederland te vertrekken, bij voorkeur naar een vooraanstaande universiteit. Een halfjaar onderwijs of onderzoek in Cambridge of Oxford bijvoorbeeld zou ik wel waarderen. Dat zijn echter wel de universiteiten waar je veel met aanbevelingsbrieven en cijferlijsten moet wapperen om er binnen te komen, maar het is hoogstwaarschijnlijk een serieuze poging waard.

Enkele minuten geleden ontdekte ik dat de Jehova's ook tot Noorwegen doorgedrongen zijn. De blonde Noorse mevrouw probeerde mij met een plaatje van een cel ervan te overtuigen dat DNA het bouwplan van de mens is, en dat dit slechts door God bedacht kan zijn. Het kwam vrij hard aan dat ik chemicus bleek te zijn en enkele dikke pillen over de cel bestudeerd had voor mijn studie, en hierna geconcludeerd had dat ik geen god nodig had om de werking van een cel te verklaren. Er ontstond gedurende ons korte gesprek een klein zenuwtrekje naast haar linkeroog, die nog eens extra opspeelde toen ik zonder een spoor van twijfel kon beweren dat Intelligent Design een mening was die mijn overeenstemming niet zal ontvangen.

Ik heb mij de laatste dagen ook erg vermaakt met het kijken van Kamerdebatten. Het is een interessant spelletje, waarbij de ondervraagde probeert met zo veel mogelijk woorden zo min mogelijk te zeggen en de andere deelnemers proberen de ondervraagde net zo lang met vragen te bestoken en onder druk te zetten tot deze per ongeluk iets loslaat. Dit gaat dan door tot het hele verhaal stukje bij beetje uitgesproken is en de waarheid min of meer op tafel ligt. Ik ben in ieder geval enigszins opgelucht dat het kabinet inderdaad gevallen is en dat de betrokken ministers er niet vanaf komen met een halfbakken lijmpoging. Ben je even een paar weken het land uit, ligt de Nederlandse politiek meteen op zijn gat. Ik moet maar eens uitzoeken hoe ik iemand in Nederland machtig om voor mij te stemmen.

Tot zover voor vandaag, vanavond staat er weer een jam session op het programma in Klubb Fantoft, dus mijn handjes mogen weer aan het werk.

zondag 14 februari 2010

Chinezen en ski's

Er valt een boel te schrijven deze editie, dus misschien is het verstandig er een kopje thee met een stapel kaakjes bij te pakken, om de dorst en lichte trek halverwege wat te sussen.

We beginnen bij vorige week zaterdag, bij het optreden op het Chinese nieuwjaarsfeest. Of eigenlijk de middag ervoor nog, toen ik met Susan (Duitse) en Mathijs een wandelingetje maakte langs en over de lagere regionen van Løvstakken, wat uitmondde in het rollen van enorme sneeuwballen (straal dikke vijftig centimeter), het boetseren van een sneeuwpop met twijfelachtig hoofddeksel en het bijbehorende sneeuwgevecht. Afijn, aan het eind van die middag werd wij, de band, opgehaald bij Fantoft met onze instrumenten. In de zaal waar het grote feestgebeuren plaats zou vinden konden we alvast het geluid regelen en een opstellinkje bouwen. Het grootste deel van de tijd werd besteed aan het vinden van het mengpaneel, alle aanwezige regelchinezen bleven maar zeggen dat ze niks van elektronica wisten. Rond de klok van half zeven werd er wat afhaaleten geserveerd
, Chinees natuurlijk, voor alle mensen die bezig waren geweest de zaal te decoreren en voor ons. 'Chinees natuurlijk' werd daarna een beetje de rode draad van de avond. Het overgrote deel van de gasten die binnen kwamen druppelen was Chinees, de aan-elkaar-prater praatte Chinees (en een voorzichtig woordje Noors), en de inhoud van bijna alle programmaonderdelen was Chinees. Deze onderdelen liepen uiteen van een 8-jarig Pakistaans meisje dat piano speelde, een wedstrijd met stokjes eten, een Chinese taalles (in het Chinees) en natuurlijk ons optreden. Dit alles gewenteld in een dikke laag verwarring en onduidelijkheid. Er stonden wel tafels met stoelen voor iedereen, maar mensen liepen vooral rond, praten overal doorheen (in het Chinees) en wij hadden eigenlijk op geen enkel moment een idee van wat er gaande was.
Toch kwamen we tegen het eind van de avond op het podium met zijn vijven, en speelden we onze drie nummers: 'The House of the Rising Sun', een blues in C en 'Oh, Darling.' En het ging goed, vanuit mijn positie klonk het in ieder geval goed (behalve dat ik in mijn vergeetachtigheid iemands solo oversloeg). Ik heb niet naar de gezichten in de zaal kunnen kijken, maar ik vermoed dat het publiek wat verbaasd reageerde op de muur geluid die ineens van het podium kwam. Bovendien was er, in tegenstelling tot de rest van het programma, niet veel Chinees aan ons optreden. Maar wij hadden er lol in, het eten was lekker, dus het was een geslaagde avond.
De volgende avond mochten we alweer los, ditmaal op de tweede 'jam session' van het semester in Klubb Fantoft. Er was tegen verwachting in veel volk op komen dagen om de muziek te beluisteren, misschien voor een gedeelte dankzij de posters die we opgehangen hadden om onze bandnaam ('The Elevators' dus) een beetje naamsbekendheid te geven. Sommige mensen moesten staan of op de grond zitten, en het bleek de drukste zondagavond sinds tijden te zijn. Dit optreden ging nog beter dan de dag ervoor. Het is een bijzonder gevoel als er een volle zaal toeschouwers luid applaudiseert en juicht voor een stukje muziek dat jij net hebt staan voordragen. Niet zozeer egostreling, maar het gevoel dat je niet de enige bent die zich geweldig vermaakt. Het smaakt naar meer. De rest van de avond werd gevuld met enkele andere muzikanten, wat improvisatie hier en daar en tenslotte weer twee nummers gespeeld door mij alleen.

Verdere noemenswaardige activiteiten van afgelopen week: een avond naar de verfilming van "Fantastic Mr. Fox" (aanrader), een avond met soep en spelletjes (Suppe og Spil) bij een Nederlandse uitwisselingsstudent die in het centrum van Bergen zijn kamer heeft, een avond films kijken en overheerlijke zoete broodjes bakken bij een van de Noorse bandleden, een avond nieuwe liedjes verzinnen met de band, een middag in mijn eentje Fløyen beklimmen en wat schrijven op het topje (met ijskoude vingers), en daarna was het alweer weekend.

Sinds de eerste dag in Bergen hing het idee in de lucht om een keertje te gaan skiën in Voss, zo'n 100 km ten oosten van Bergen. Na een vluchtig rekensommetje bleek dat een heel weekend skiën onbetaalbaar is, dus moest het blijven bij een enkel dagje. En dus reden we met de auto van de Slowaakse uitwisselingsstudente Andrea gevuld met nog drie anderen en mijzelf zaterdagochtend om half acht weg van Fantoft. Al snel werd duidelijk dat autorijden in Noorwegen anders is dan autorijden in Nederland. We reden de hele weg over de E16, de enige weg tussen Oslo en Bergen, de twee grootste steden van het land, maar het is een simpele slingerende tweebaansweg, grotendeels door tunnels, die in Nederland met moeite een N-nummer zou bemachtigen. De borden zeggen dat je 60 km/h of 70 km/h moet rijden, maar als je dat netjes doet, of zelfs als je wat harder rijdt, krijg een staart Noren achter je rijden die loeren op een kansje je te passeren. De meesten gaven ons in het voorbijrijden echter geen 'evil eye,' zoals vooral de mannelijke autorijders dat zo goed kunnen, dus ik vermoed dat ze weinig kwaad in de zin hadden. Het kostte uiteindelijk een uur en drie kwartier om Voss te bereiken, waarna het grote zoeken naar de skipiste begon. De tankstationmedewerkster wist van niks ("Ja, je kunt hier skiën, maar hoe je er komt, je moet een weg nemen, omhoog ergens, tsja, ik weet het niet zo goed, het station, ergens, in die buurt, een weg omhoog."). Maar ondanks dat en de complete afwezigheid van verkeersborden die naar de skipiste wezen vonden we vrij snel de goede weg omhoog. De laatste paar honderd meter van die weg was echter compleet bedekt met ijs, waar Andrea's arme Suzuki Swift (en Andrea zelf) niet zo goed raad mee wist. Na enkele pogingen verder te komen, waarbij de auto telkens naar beneden gleed als je de auto van de handrem afhaalde en gas gaf, besloten we de auto maar achter te laten en het laatste stukje te gaan lopen.
Eindelijk bestemming bereikt, ski's en stokken gehuurd, skipas betaald, stoeltjeslift genomen, stonden we met zijn vijven boven op Hanguren, klaar om op een gecontroleerde manier op de latten af te dalen. Ik heb twee keer eerder geskied in de Alpen, maar beide keren kostte het zeker een dag of twee om te wennen aan die dingen aan je voeten en er een beetje mee over weg te kunnen. Ditmaal echter, tot mijn verbazing, had ik na een minuut of tien de vaardigheid waar ik de laatste keer mee eindigde, en ging ik zonder problemen met een noodvaart de berg af. Tenminste, het zal er wel niet fantastisch professioneel hebben uitgezien, maar ik behield consequent mijn evenwicht, de algehele controle en ik kon netjes binnen de lijntjes van de piste blijven. En het voelt geweldig, om je naar beneden te laten vallen, met 60 km/h een scherpe bocht te maken en met soepele bochtjes van een veel te steile helling af te dalen. Alles onder een stralende winterse zon, bij een graad of -5 (al was het die ochtend in de mist nog -18 graden). Na een hele dag op en neer zaten we in het begin van de avond met vermoeide benen in de auto terug naar Bergen, waar je dan bijzonder veel geniet van je grote bord pasta.

Vandaag, tenslotte, liepen we met weer een ander internationaal gezelschap een tochtje over Fløyen en Rundemanen, twee heuvels naast Bergen, om vervolgens achterlangs weer terug te keren naar de stad, waarbij ik me voor de zoveelste maal gelukkig prees met de nabijheid van deze prachtige wandelingen.
Vanwege de grootte van de lap tekst die hierboven staat, schuif ik het onderwerp 'Onderwijs in Bergen' maar even naar volgende keer.

vrijdag 5 februari 2010

Noorse bussen en gastronomische curiositeiten

De sneeuw is hier nog steeds in overvloed aanwezig en de meeste fietspaden zijn bedekt door een dikke laag sneeuw dan wel bruine smurrie. Dat weerhoudt mij er voorlopig van om op zoek te gaan naar een fiets. Gevolg is dat ik bijna elke dag wel een retourtje naar het centrum maak met de bus, hetgeen in mijn ogen een prachtige gelegenheid is om het gedrag van 'de Noor(se)' eens goed te bestuderen.
Noren zijn over het algemeen niet erg ontvankelijk voor intermenselijk contact tijdens het verblijf in de bus. Nu zijn de bussen vanwege het weer bijna altijd goed gevuld, met als gevolg dat er een soort spanning heerst omdat de passagiers wel in elkaars buurt móéten komen. Natuurlijk zullen de Noren eerst proberen een lege tweezitsplaats te vinden, en gaan dan bij voorkeur op de stoel naast het gangpad zitten met hun tas naast het raam, om een extra signaal af te geven dat het niet de bedoeling is dat er iemand naast hun komt zitten. Als er geen lege tweezitsplaatsen meer beschikbaar zijn, kun je bij alle binnenkomende Noren een subtiele vorm van wanhoop op het gezicht aflezen. De meesten kijken zorgvuldig de bus rond om te kijken welke medepassagier de hoogste waarschijnlijkheid biedt dat deze zijn mond dicht houdt en netjes uit het raam blijft staren. Met lichte tegenzin gaat de Noor dan op een stoel naast het gangpad zitten, een beetje op het randje, zodat je niet per ongeluk met je been iemand anders zijn jas aanraakt. Sommige Noren echter vinden dit soort dingen net wat te ver gaan, en deze blijven dan gewoon staan. Het mooiste is nog wel dat een Noor die zich noodgedwongen naast een onbekend iemand bevindt direct verhuist als er ineens een tweezitsplaats vrijkomt.
Ik vind het allemaal prachtig om naar te kijken. Natuurlijk negeer ik consequent alle gebruiken en ga ik bij voorkeur zitten naast diegene die mijn bestaan het hardst ontkent als ik de bus binnen stap.

Blijven we even bij de Noorse eigenaardigheden, en komen we bij het fenomeen 'brunost' (bruunoest), met als populairste variant 'Gudbrandsdalsost.'
Deze bruine kaas (zoals de naam allicht al deed vermoeden) is de trots van Noorwegen en er wordt door elke Noor gemiddeld zo'n vier kilogram per jaar van weggewerkt. Het is tevens een van de vreemdste dingen die ik ooit gegeten heb. Brunost wordt gemaakt van ongeveer een kwart geitenmelk en de rest koeienmelk. Door een lange verhitting wordt een deel van de suikers in de melk omgezet in karamel, vandaar de bruine kleur. Het eindproduct is een blok kaas waar je de pittigheid van de geitenmelk proeft naast de zoete smaak van karamel, in een substantie die nog het meest lijkt op boter, zodat je vlak nadat je een plakje proeft een plasje moeilijk te definiëren bruin spul in je mond hebt. Deze kaas eten de Noren op brood, maar ook op warme wafels met jam. Eigenlijk eten ze het met alles wat ze kunnen vinden.
Verder zijn de Noren dol kabeljauw (torsk), voedsel uit een tube, en heel erg veel diepvriespizza.


Afgelopen dinsdag ging ik met twee jongens van mijn kwantummechanicavak naar het bètagebouw, omdat hier een informatiemarkt met bedrijven scheen te zijn, inclusief alle gadgets en lokkertjes die bedrijven gebruiken om zieltjes te winnen. En inderdaad, bij alle standjes stond een grote schaal chocolaatjes of snoepjes om studenten te verleiden om wat dichterbij te komen. Het heeft iets humoristisch en misschien ook wel iets treurigs, dat je studenten, de zogenaamde elite,
met een snoepje zover kunt krijgen dat ze tegen hun zin met iemand in gesprek treden. Er bleek echter ook een wedstrijd te zijn waar je twintig minuten de tijd kreeg om met zijn drieën een autootje van Lego te maken die aangedreven werd door een elastiekje. De bouwers van het voertuig dat het verste kon rijden kregen elk een iPod nano. Nou hoef ik niet zo nodig een iPod, maar met onder ons vele jaren Lego-ervaring leek het ons wel een leuke uitdaging. Helaas kwamen we na twintig inspannende minuten bouwen en testen een luttele 25 cm tekort voor de overwinning (op een afstand van een meter of tien). Bij wijze van troostprijs gingen we wel naar huis met elk een tasje of vier met noodles, instantsoep, mentos en kauwgom, die uitgedeeld werden aan alle passerende studenten en aan het eind van de dag in grote getale overbleven.

Gisteren gingen Mathijs en ik voor het eerst klimmen bij de klimhal naast Fantoft. Helaas was de hal nogal klein. Het grootste probleem was echter dat er in Noorwegen bijna uitsluitend voorgeklommen wordt (dat wil zeggen, de klimmer neemt het touw met zich mee omhoog en klikt dit onderweg aan de muur vast) in plaats van het zogenaamde 'top-rope' klimmen dat in Nederland bijna overal gedaan wordt (dat wil zeggen, het touw is boven aan de muur bevestigd). Dat voorklimmen is de enige manier van klimmen als je op echte rotsen gaat klimmen, maar ook een stukje moeilijker dan top-rope en je moet er een korte cursus voor volgen voordat je het veilig toe kunt passen.
Daar komt in mijn geval dan nog bij dat gitaar spelen en klimmen een soort complementaire hobby's zijn: voor de eerste wil je soepele vingers hebben en lange nagels op je rechterhand, voor de tweede wil je vooral sterke vingers hebben met zo kort mogelijk nagels. Doordat ik sinds oktober niet meer geklommen heb, zijn mijn onderarmen niks meer gewend en heb ik nu flinke spierpijn, wat het muzikale optreden van morgenavond waarschijnlijk niet ten goede gaat komen. Het zijn van die lullige probleempjes. Maar als ik moet kiezen tussen bezigheden gaat de gitaar, vanwege zijn lange staat van dienst, natuurlijk voor.

Volgende editie zal ik mijzelf eens kritisch uitlaten over het universitaire onderwijs in Bergen, en tevens verslag doen van de optredens van 'The Elevators' op het Chinese festival (dat overigens gewoon Chinees nieuwjaar blijkt te zijn) en in Klubb Fantoft. Jullie kunnen vast niet wachten...

(En hier staat mijn stukje over het Noorse alcoholbeleid, voor de geïnteresseerden.)